Gods weg met Israël – Behoud voor niet-Messiasbelijders?

206_01_0060_TopicalBkg“Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit”. (Rom. 10:1)Wanneer iemand tot Jesjoea komt, vraagt hij zich al snel af: Hoe zit het dan met de Joden? Hoe zit het met de generatie Joden van Messias’ tijd? En kunnen Joden van vandaag behouden worden, zonder geloof in Jesjoea?

 GODS WEG MET ISRAËL
Is er behoud mogelijk voor Joden die Messias niet belijden?

Auteur: Chr. Levi Zoutendijk 

INHOUD: Elk mens wordt Beoordeeld naar de Tora / Geloof in, Geloof van / Jesjoea over Behoud en de ‘Verwerping’ van Jesjoea / Geen verwerping van Messias / Gans Israël, Één zoon / De Belofte aan Abraham & de Aanname van Jesjoea door Israël / Slechts ten dele verworpen? / Nog Enkele Opmerkingen

Wanneer iemand tot Jesjoea komt, vraagt hij zich al snel af: Hoe zit het dan met de Joden – Hoe zit het met de generatie Joden uit Messias’ tijd? En kunnen Joden van vandaag behouden worden, zonder geloof in Jesjoea?

Jesjoea lijkt te zeggen dat zonder hem niemand tot de Vader komen kan, en dat is waar. Maar wat bedoelt hij hier precies mee? Hoe gaat het er straks aan toe in het Gericht? Uit liefde voor de waarheid en uit liefde voor het Joodse volk, dat de Messias voortbracht en de Tora bewaarde en bewaren zal, moet deze vraag zorgvuldig onderzocht worden.

Elk mens wordt Beoordeeld naar de Tora

Wanneer de Bijbel spreekt over ‘behouden zijn in Jesjoea’, doelt dit op het behouden zijn van de komende toorn van het oordeel van God:

“Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn.” (Rom. 5:9)
“Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.” (Da. 12:2)

Elk mens zal immers voor de Rechterstoel van Messias verschijnen, zowel Messiasbelijdenden als niet-Messiasbelijdenden en de volkeren:

“Hij zal de wereld richten in gerechtigheid en de volken in rechtmatigheid.”
(Ps. 98:9b)
“Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.” (2 Kor. 5:10).

In het Gericht zal God de wereld door zijn zoon Jesjoea zonder aanzien des persoons oordelen naar zijn eigen recht en richtsnoer, de Tora. Ook Messiasbelijdenden moeten dus door dit oordeel heen, zoals geschreven staat:

  • “Spreekt zo en handelt zo als [mensen past], die door de wet der vrijheid zullen geoordeeld worden” (Jak. 2:12).
  • “Want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden” (Rom. 2:13).
  • “En indien gij Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze de tijd uwer vreemdelingschap”(1 Pe. 1:17).
  • “Maar Ik zeg u: Van elk ijdel woord, dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels” (Mt. 12:36).
  • Zie ook o.a.: 1 Cor. 4:3-5; 9:27; Fil. 3:12-14; 2 Tim. 4:8; 1 Pe. 1:7.

Hierbij geldt wel dat de meeste niet-Messiasbelijdenden en niet-Joden, die ook geen Tora kennen, niet licht een goede verdediging kunnen voeren:
En indien de rechtvaardige ternauwernood behouden wordt, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen?” (1 Pe. 4:18).

110_04_0299_BiblePaintings

Merk op dat Sha’ul (Paulus) het antwoord op deze vraag naar behoud open houdt. Hij weet immers:

“Een is wetgever en rechter, Hij, die de macht heeft om te behouden en te verderven. Maar wie zijt gij, dat gij uw naaste oordeelt?” (Jak. 4:12)
“Maar gij zijt genaderd tot … En tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben.”(Heb. 12:22a-23)

De apostel schrijft ook: “Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit” (Rom. 10:1), wat leert dat hij zijn broeders naar het vlees niet opgegeven heeft!! Zelfs Jesjoea leert over het oordeel in algemene bewoordingen, omdat hij niks zonder de Vader kan doen:
“Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel?” (Mt. 23:33).

Wij moeten hiervan zeer diep van doordrongen zijn, dat het uiteindelijke oordeel over de mens aan God alleen is. 

Geloof in, Geloof van

Ik vroeg mij vroeger, bij zijn leven, wel eens af of een Shoahoverlevende (1927-2016) waarmee ik bevriend raakte, wel door het oordeel heen zou komen. Hij geloofde in God, maar komt niet wekelijks in de sjoel. Hij heeft ondanks de verschrikkingen van de Shoa een menslievend en vruchtbaar leven geleid. Om je af te vragen of iemand zonder Jesjoea toch door het oordeel heen kan komen, is op zichzelf niet verkeerd, maar het christendom heeft staart zich blind op enkele teksten, die verdere uitleg behoeven. Het christendom meent als enige behoud na dit leven te kunnen verkrijgen. De mensen van mijn eerste gemeente dachten zelfs dat David niet zou opstaan uit de dood, omdat hij de naam van Jesjoea niet kende, terwijl hij toch in Handelingen wordt genoemd, als zou hij met ons opstaan. Het Jodendom daarentegen bleef ervan doordrongen, dat het uiteindelijke oordeel aan God is.

Deze man kon mij vertellen dat de meeste aanhangers van de verschillende godsdiensten in de kampen weinig kracht voor moreel leven over hadden. Het heeft hem doordrongen van het feit dat niet je belijdenis, maar uiteindelijk je gedrag de toets moet doorstaan. Het gaat er dus niet zozeer om waarin je gelooft, maar of je het geloof van God in je leven uitwerkt. Ook Sha’ul leert dit:

“Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven.” (Fil. 2:12)

Dit geldt natuurlijk ook voor de Messiaanse beweging, aan wie de brief immers ook geschreven is. Door het aannemen en belijden van Jesjoea als Messias wordt men in ene rechtvaardig (Toragetrouw) verklaard. Daarmee ‘roemen’ wij op het oordeel – met vast vertrouwen – (Rom. 5:11), als wij in Messias blijven. Maar deze belofte op behoudenis moet men dus uitwerken.

Een mens die Jesjoea niet belijdt als Messias, Jood of niet-Jood, heeft dit grote voorrecht niet, en kan niet ‘vast vertrouwen’ op het oordeel.

Maar een Jood heeft gelukkig de ‘sleutel der kennis’ (Luc. 11:52), dat is: de Tora, datgene ‘waarop het aankomt’:
Zijn wil kent, weet te onderscheiden waarop het aankomt, daar gij onderricht in de wet (Tora) geniet” (Rom. 2:18)

[stextbox id=”black”]De Tora geldt in principe voor elk mens (Pr. 12:13), en elk mens zal er dan ook naar beoordeeld worden. Doordat Joden weten waar zij naar beoordeeld zullen worden, maken zij meer kans om door het Gericht heen te komen. De offers die Joden maakten, keken uit naar Messias en zullen aanvaard worden (mits zij met een goed hart gebracht werden, natuurlijk).

De mensen na Messias kunnen nu, net als in Babylon, niet offeren zonder tempel. Maar zij krijgen niet het ware Pesachlam Jesjoea gepredikt, maar een vergriekste, onherkenbare Jesjoea. Dat er dan geen tempel is en Jesjoea al is gekomen, sluit niet uit dat er voor Juda nog vergeving van zonde is. Uit de Bijbel blijkt dat God verschillende keren gebeden aanneemt als offer en verzoening. Wel hebben niet-Messiasbelijders geen deel aan het Vernieuwde Verbond in Jesjoea’s bloed. [/stextbox]

Mijn kennis, over wie ik het eerder had, heeft dus zeker een kans aangenomen te worden. Hij heeft weliswaar niet de sabbat wekelijks onderhouden, maar God zal hem persoonlijk naar de wet der liefde oordelen, net als alle mensen. En naar mijn mening zou hij zelfs een goede kans maken, omdat hij ondanks de verschrikkingen zelfs zijn vijand probeert lief te hebben (al zegt hij – vlg. mij terecht – : ‘Als ze mij willen vermoorden is dat goed, maar ik vermoord heb dan wel eerst’).

Dat niet de geloofsbelijdenis (waardoor God met aanziens des persoons zou oordelen), maar het handelen centraal staat in het oordeel, vinden we dus vaker terug bij Sha’ul, zoals ook hier:

“Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet; immers, zij tonen, dat het werk der wet in hun harten geschreven is, terwijl hun geweten medegetuigd en hun gedachten elkander onderling aanklagen of ook verontschuldigen, ten dage, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn evangelie, door Christus Jezus.” (Rom. 2:14-16)

Zelfs heidenen, die geen Verbond hebben met God, en hem al tastende zoeken, door hun geweten te gebruiken, kunnen in het oordeel mogelijk nog behouden worden, is wat Sha’ul hier schrijft!! Wat te denken van alle miljarden schepselen van God over de eeuwen, die Hij allen innig liefhad, en waarvan velen naar eer en geweten leefden, zonder ooit het woord ‘Tora’ of ‘Jesjoea’ gehoord te hebben. Zouden zij allen zonder meer ‘afgeschreven’ zijn bij God? Het is wel zo dat later in Romeinen pas Jesjoea gepredikt wordt, en dat in principe elk mens hem nu moet aannemen. Maar dit is niet zo absoluut als een Hebreeuwse uitspraak vaak lijkt…

Dit is geen alverzoeningsleer dat ik breng, alleen al omdat de enige lering die je uit deze woorden kan trekken is, dat slechts een definitieve leer over het oordeel ongepast is. Het leert wel dat er niet zoiets bestaat als een ‘alverdoemingsleer’, om maar een woord te gebruiken. Niet iedereen die niet in Jesjoea is, wordt zondermeer buitengeworpen, al zullen de meeste, waaronder helaas ook veel Joden, opgewekt worden ‘tot eeuwig afgrijzen’.

Het blijkt dat over het uiteindelijke behoud weinig absoluuts te zeggen is, het blijft aan God, en wij moeten daarom waken absolute stellingen in te nemen over dit onderwerp.

Jesjoea over Behoud en de ‘Verwerping’ van Jesjoea

Veel Christenen schemeren met teksten waaruit vaak een ‘heilschauvinisme’ doorklinkt. P. Lapide, Joods hoogleraar Nieuwe Testament, stelde dit in De Joodse Jezus (1979) aan de kaak:

“En wat moeten we denken van de christologische aanspraak op absoluutheid (…) die sinds de tijd van het vroegkatholicisme geleid heeft tot een heilschauvinisme dat voor Israël het gericht en voor de kerk de genade reserveert?” (blz. 50)

“Zelfs de katholieke kerk is hier in 1976 min of meer op terug gekomen, toen zij besloten dat er tot God gebeden mag worden of ‘Hij de Joden in trouw voor zijn verbond wil bewaren’”. (p. 64)

Maar Christenen merken vaak ‘vroom’ op: Zei Jesjoea niet dat je alleen door hem tot de Vader komt? Dat anders de toorn op je blijft, omdat je zonder hem geen eeuwig leven kunt hebben? Dit dienen wij dan te onderzoeken. Enige teksten:

“Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Joh 14:6).
“Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem” (Joh 3:36).

Hoe moeten deze teksten uitgelegd worden? Met Jesjoea is iets nieuws gekomen: een zaligheid, waar door de profeten naar gevorst is (1 Pe. 1:10). Het Verbond in Jesjoea’s bloed berust immers op betere beloftes (Hebr. 8:6) en in hem hebben wij in dit leven al ‘het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt’ (Heb 6:5).Wij krijgen in dit leven dus al deel aan ‘eeuwig leven’ (Joh. 12:50), een kwaliteit van leven met God, al wordt het zoonschap pas openbaar op de Nieuwe Aarde (Rom. 8:23). Dit is waar Jesjoea over spreekt, dat men alleen in Hem tot het Vernieuwde Verbond komt, waarin het zoonschap van God wordt vastgesteld en uitgediept.

Psalm 82:6 leert dat allen zonen des Allerhoogsten zijn, tot wie de Tora gekomen is (vergelijk Joh. 10:34). Maar de vleesgeworden Tora – Jesjoea -, brengt ons in dit leven nog op een bijzondere manier tot de Vader, doordat onze zonden niet alleen bedekt zijn, maar werkelijk al uitgedelgd in het Hemelse Heiligdom. Deze ‘nieuwe en levende weg’ (Heb. 10:20) die Jesjoea ingewijd heeft, kan alleen betreden worden in Jesjoea en het zoonschap is vrij van angst, waardoor God met ‘Abba’ aangeroepen kan worden.

Wat betreft de toorn: De toorn rust al op ieder mens, die de heerlijkheids Gods delft (Rom. 3:23), omdat men zondigt, en de toorn moet daarom niet direct in verband met een verwerping van Jesjoea gebracht worden. Wanneer een Jood of heiden zonder Jesjoea is tijdens zijn leven, dan sterft hij, omdat de toorn nog op hem is. Wij zijn echter in Messias al gestorven. Maar dat men als mens zonder Jesjoea sterft, betekent niet dat daarna de toorn nog op hem rusten zal, daar het Gericht hem nog vrijzetten kan. Het wil niet zeggen dat zij dit zoonschap in de toekomede eeuw niet zullen ontvangen.

Anders, als Jesjoea echt dit exclusivisme bedoelde zoals velen het begrijpen, zou zelfs Abraham, die de naam Jesjoea niet kende, verloren zijn voor het leven in het Messiaans Rijk. Bovendien was Abraham niet ‘gehoorzaam’ (Joh. 3:36) aan Jesjoea, omdat hij hem niet kende – hem niet aanschouwd heeft.

Toch zegt Abba Jahweh:
“Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd.” (Joh 8:56)
“Hij is niet een God van doden, maar van levenden, want voor Hem leven zij allen.” (Lu 20:38)

Geloofsgetrouwe Joden die uitkeken op Messias, lang voordat hij kwam, worden dus niet ‘vergeten’ door God. De uitspraken van Jesjoea over behoud in zijn naam, moeten telkens in het licht van de hele Bijbel gelezen worden!

Geen verwerping van Messias

De generatie van Jesjoea keek ook reikhalzend uit naar Messias: de verwachting naar de komende koning was groot. En er zijn vele verzen die bewijzen dat velen van het begin tot het einde in hem geloofden:

  • “En terwijl Hij te Jeruzalem was, op het Paasfeest, geloofden velen in zijn naam, doordat zij zijn tekenen zagen, die Hij deed;” (Joh 2:23)
  • “En zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hem: Rabbi, die met u was aan de overzijde van de Jordaan en van wie gij getuigd hebt, zie, die doopt en allen gaan tot Hem.” (Joh 3:26)
  • “Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou.” (Joh 6:14)
  • “En uit de schare kwamen velen tot geloof in Hem en zij zeiden: Zal de Christus, wanneer Hij komt, soms meer tekenen doen dan deze gedaan heeft?” (Joh 7:31)
  • “Anderen zeiden: Deze is de Christus; weer anderen zeiden: De Christus komt toch niet uit Galilea?” (Joh 7:41)
  • “Als wij Hem zo laten geworden, zullen allen in Hem geloven en de Romeinen zullen komen en ons zowel onze plaats als ons volk ontnemen.” (Joh 11:47-48)
  • “De Farizeeën dan zeiden tot elkander: Gij ziet voor uw ogen, dat gij niets bereikt; zie, de gehele wereld loopt Hem na.” (Joh 12:19)
  • “De overpriesters en schriftgeleerden, evenals de voornaamsten van het volk, zochten gelegenheid Hem om te brengen, maar zij vonden niets dat zij zouden kunnen doen, want al het volk hing aan zijn lippen.” (Luc. 19:47b, 48)

Uit deze verzen en vele anderen blijkt zeer duidelijk dat Israël de Messias niet werkelijk verworpen heeft. Het was vooral de corrupte en onwetende elite (vaak aangeduid met ‘de Joden’, ofwel ‘de Judeeërs’ – de machthebbers uit Judea), die hem uit onkunde niet aannamen, en Jesjoea aan hun bondgenoot, de Romeinen, overleverde.

Gans Israël, Één zoon

Het volk en haar leiders hadden de Messias als één man moeten aannemen, maar dit is helaas niet gebeurd. Jesjoea werd gedood. Het volk als geheel is hier echter niet schuldig aan, ieder zal immers om zijn eigen zonde sterven (De. 24:16). Jesjoea bad ook aan het kruis: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luc. 23:34), en Lucas schrijft: “En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten” (Hand. 3:17 ). Zelfs de mensen die Jesjoea aan het kruis bespotte, sloegen dezelfde dag nog uit berouw op hun borst, toen zij door de intredende duisternis tot inkeer kwamen (Luc. 23:48).

De mensen die Jesjoea in levende lijve hebben gezien, en hem toch niet gehoorzaamden, zullen zich inderdaad wél moeten verantwoorden voor hun ongeloof. Maar de nadruk ligt telkens op díe generatie, en niet het volk van alle eeuwen, zoals blijkt uit deze verzen:

“Maar eerst moet Hij veel lijden en verworpen worden door dit geslacht (generatie)” (Luc. 17:25).
“Want wie zich voor Mij en voor mijn woorden schaamt in dit overspelig en zondig geslacht (generatie), de Zoon des mensen zal Zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige engelen”(Mr. 8:38).

De taak van de Messias was verborgen, zodat de duivel onttroont kon worden. Zijn eigen discipelen begrepen dat geheimenis lange tijd niet. Men verwachtte zelfs vlak na Jesjoea’s dood dat hij in die tijd het koningschap voor Israël zou herstellen (Hand. 1:6). De lijdende Dienstknecht is een geheimenis in de Schrift dat alleen de Geest kan openbaren, meestal alleen na een prediking van een met de Geest vervuld persoon. Fillipus vroeg de kamerling of hij verstond wat hij las, waarop hij zei: “Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst?” (Hand. 8:31 ). Zo kunnen Joden heden ten dage in de regel niet tot Messias komen, zonder prediker.

Gelukkig kwamen (tien)duizenden Jeruzalemmers alleen al tot geloof na de uitstorting van de Ruach haKodesh (Heilige Geest) (Ha. 21:20). Zij hebben het geloof in korte tijd over de toenmalige wereld bekend gemaakt. Jeruzalem was ‘vervuld met de leer’ (Hand. 5:28), wat geenzins wijst op een verwerping.

Maar hoe zit het dan met de Joden van de generaties na Jesjoea? Zij hoorden wellicht nog wel van Jesjoea, maar met o.a. het einde van de beloofde tekenen van Messias door de handen van de apostelen (Heb. 2:4), de heidense invloeden op het ware geloof en het gerucht over Jesjoea’s weggenomen lichaam dat bleef bestaan (Mat. 28:13-15), werd het al gauw moeilijk om een Jood ‘tot naijver te verwekken’ (Rom. 11:11).

Dit is begrijpelijk, want een Jood kun je geen Messias schilderen die de Tora zou ontbinden en zichzelf tot Godmens zou verklaren. Dit ‘geheimenis der wetteloosheid’ (Toraloosheid) zal voor de meeste Christenen in de eindtijd blijven bestaan, waardoor Joden ook het onversneden evangelie niet zullen horen. Zij zullen Jesjoea pas aannemen, als hij terugkomt, terwijl het onze taak was het tot voorbeeld te zijn. Dat Joden vandaag Messias niet kunnen aannemen, is dus in de eerste plaats onze eigen schuld.

Joden zijn de bewaarders van de Tora, de leer van God, welke ‘Christenen’ al snel verwierpen. Zij laten zich niet meeslepen door een leer die ingaat tegen het eeuwige verbond. Jesjoea zei dat ‘geen jota of tittel’ van de Tora zou vergaan…

Jesjoea voorspelde echter wel:
“Zie, uw huis wordt aan u overgelaten. Maar Ik zeg u, gij zult Mij niet meer zien tot het ogenblik komt, dat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!” (Luc. 13:35)

Het ‘huis’ waar hier over gesproken wordt, is het volk Israël, dat wel een herstel ziet in de laatste dagen, maar pas Jesjoea terug ziet bij zijn komst. Dit ging ook zo met Josef, die zich zelf aan zijn broeders moest openbaren. Het herstel van de afgebroken takken is echter wel in onze dagen merkbaar, met de opkomst van de Joods Messiasbelijdende gemeente wereldwijd.

Het ‘Gij zult mij niet meer zien tot het ogenblik komt, dat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!’, richt zich op het volk Israël. Toch kwamen er na Jesjoea wél velen tot geloof. Wat men kan leren van dit vers, is dat God Israël vaak als één man ziet, zijn eerstgeboren zoon (Ex. 4:22). ‘Gezegend is hij die komt in de naam van JHWH’,  gaat daarom over de belijdenis van het volk als geheel.

Dit vormt een sleutel bij het begrijpen van Gods handelen met zijn volk. Hij ziet zijn oogappel als één zoon, al zijn zij toch, zoals bleek, ook kinderen Gods. De Tora werd op de Sinaï door het hele volk aangenomen, en dat had hier ook moeten gebeuren.

“Hij nam het boek des verbonds en las het voor de oren van het volk en zij zeiden: Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen en daarnaar zullen wij horen” (Ex. 24:7).
“En het gehele volk antwoordde eenparig: Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen. En Mozes bracht de woorden van het volk weder aan de Here over” (Ex. 19:8).

Vergelijk ook bijvoorbeeld de geschiedenis van Achan (Jozua 7). Daar zondigde slechts één man, maar God vermaande toch: “Israël heeft gezondigd en zij hebben mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden…” (Joz. 7:11)

Door dit voorval had het gehele volk te lijden. Zo werd ook door de ongehoorzaamheid van sommigen het hele volk voor een bepaalde periode ‘aan de heidenen overgelaten’, totdat zij in 1948 weer hun land terugkregen.

God zal ook uiteindelijk ‘gans Israël’ behouden, (Rom. 11:26), samen met de rest van de wereld:

“En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid.” (Mt. 24:30)

God eist complete gehoorzaamheid van zijn zoon en werkt hiervoor zelf de belofte van de aanname van Messias door Israël uit in de eindtijd!! Dat dit via een omweg gaat, door een aanvankelijke verwerping, dat is in de eerste plaats de verantwoording van hen die Jesjoea overhandigden, en dit mag niet op het conto geschreven worden van de opeenvolgende generaties. Omdat God zijn volk hierin als collectief behandelt, kan Johannes toch zeggen: “Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen” (Joh 1:11), omdat niet gans Israël hem aannam.

In de Geschriften van de Apostelen staat dus niet vermeld dat Gods volk Jesjoea massaal afwees en daarom geen mogelijkheid tot behoud meer zou kennen. Paulus heeft het wel over een geheimenis, aangaande Gods handelen met zijn volk, waarop we zullen komen.

De Belofte aan Abraham & de Aanname van Jesjoea door Israël

In de Messiaanse Beweging heeft men ingezien dat Israël als volk van God niet verstoten is. God beloofde aan Abraham:

“Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.” (Gen. 17:4, 6)
“Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn.” (Gen. 17:7)

Het lijkt wonderbaar, maar God openbaart Zijn Reddingsplan voor de wereld al vanaf het begin. In allerlei evenbeelden is Jesjoea als offerlam, middelaar en koning al in de Tenach voorgesteld (Josef, Mozes, etc.). Jesjoea moest verworpen worden, het lam is ‘geslacht sedert de grondlegging der wereld’ (Op. 13:8). Zonder de dood van Jesjoea zou de duivel immers niet zijn onttroond en zou het heil niet tot de heidenen gekomen zijn. God maakt zo gebruik van de verharding van enkele Joden (de toenmalige Joodse elite, vgl. Farao), om een groter goed te bewerken. Een vergelijking hiervan vindt men in Gods handelen met Farao, de man die zichzélf verhardde. God verheerlijkte zichzelf door dit verharde hart van een mens, om zijn volk uit te leiden. Evenzo gebruikt hij de verharding van een corrupte elite om Jesjoea tot heerlijkheid te brengen.
Sha’ul roept dan ook uit: “O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!” (Rom. 11:33)

De belofte van God aan Abraham is eenzijdig: Adonai zou zorgen dat het bewaarheid zou worden. Dit drukt de Naardense Bijbel mooi uit: “Ik van mijn zijde heb een verbond met u gesloten”, en de NBV heeft: “Ik doe jou deze belofte”. Al zou Israël afdwalen, uiteindelijk zou Adonai Jah zelf zorgen dat in Abrahams zaad (Gal. 3:16) – Jesjoea – een weltoegerust volk zou bestaan. Tot dat volk behoren niet alleen de mensen die in Jesjoea geloofden, maar ook zij die naar Messias uitkeken, of zij die gerechtigheid bewerkte. Zij zullen uiteindelijk als koningen met hem te heersen op de Nieuwe Aarde (Rom. 5:17).

“Israël is mijn eerstgeboren zoon”, moest Mozes aan Farao vertellen. En Sha’ul bevestigt na Jesjoea nog steeds:

  • “Immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften.” (Rom. 9:4)
  • “Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil. Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk.” (Rom. 11:28-29)

Een Jood moet als teken van het verbond besneden worden, en dan zal hij als deel van Israël zoon van het verbondsvolk zijn, wat Gods eerstgeboren zoon blijft, ook na Jesjoea’s komst. Nadat de ‘jaren des onderscheids’ gekomen zijn (Neh. 10:28), is een Israëliet verantwoordelijk om naar de Tora te wandelen. Als hij ontrouw is aan zijn God, kan natuurlijk nog in het gericht blijken dat hij geen ‘zoon van Abraham’ blijkt te zijn, en bij sommigen is dat tijdens hun leven al duidelijk.

In Romeinen 9 legt Sha’ul weliswaar uit dat Israël de Tora, die Vernieuwd is in Jesjoea’s bloed, moet aannemen, omdat met hen (Juda en Israël) dit verbond is aangegaan (Jer. 31:33), maar hij besluit dit gedeelte met het geheimenis (11:25), waarbij hij nadruk legt op het feit dat God zijn belofte aan Abraham zal vervullen.

Dat zij dit verbond in Jesjoea’s bloed veelal niet aannamen, doet de belofte van het zoonschap niet verbreken. Het verbond kapselt niet de belofte in, maar de belofte als het ware het verbond. Want al kan het verbondsvolk geen offers meer brengen, en nam het volk als geheel Jesjoea’s offer niet aan, de belofte van God blijft hier los van staan. Vergelijk deze tekst:

“Dit is Mij als in de dagen van Noach: zoals Ik gezworen heb, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden komen, zo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer toornig op u zal zijn noch u zal dreigen. Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en mijn vredesverbond zal niet wankelen, zegt uw Ontfermer, de Here.” (Jes. 54:9-10)

Naar zijn eigen rechtvaardigheid had Gods wellicht de aarde na de vloed opnieuw moeten treffen, maar het verbond met als teken de regenboog staat in dit geval boven de eis der gerechtigheid. We zien dus dat ongehoorzaamheid een eenzijdige belofte niet kan breken. Wel moet zoals gezegd de besnijdenis als teken onderhouden worden. Dit heeft dan ook ‘prioriteit’ boven de Tora, zoals men hieruit kan afleiden:

“Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven (niet, dat zij van Mozes komt, maar van de vaderen) en gij besnijdt een mens op sabbat. Als een mens op sabbat de besnijdenis ontvangt, opdat de wet van Mozes niet verbroken worde, zijt gij dan op Mij vertoornd…” (Joh 7:22-24)

Dit brengt Sha’uls (Paulus’) woorden in gedachten, uit Galaten:

Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderd dertig jaar later is gekomen, maakt het testament, waaraan door God tevoren rechtskracht verleend was, niet ongeldig, zodat zij de belofte haar kracht zou doen verliezen. (Gal. 3:15-17).

Het verbond met Abraham verlangt vooral geloof en die van Mozes vooral gehoorzaamheid. ‘Mozes’ (de Tora) kan door Juda na de verwoesting van de tempel niet meer geheel onderhouden, maar dit zou toch niet de juiste eredienst zijn, omdat Jesjoea nu de Grote Hogepriester in de hemelse Tempel is. De offerdienst is vervangen door een hemelse. Zij ijveren dan toch om de Tora nog zo goed mogelijk te doen (Rom. 10:1), en zij zullen zoals gezegd in het Gericht hiernaar beoordeeld worden. Het geloof zonen Gods te zijn blijft echter staan, en God heeft nog veel beloften voor hen. Hij weet ze gelukkig goede gaven te geven, al is de Griekse Jezus (of Egyptische Josef) nog bedekt.

Zelfs de stammen van Israël die verstoten werden, worden weer in het verbond met Jesjoea opgenomen en teruggevonden. Dit bewijst ook dat de belofte niet afhankelijk is van het Verbond. God noemt zich niet voor niets vooreerst ‘barmhartig en genadig’ (Ex. 34:5, 6)!

“Dit zal ik mij te binnen brengen, daarom zal ik hopen: Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op, elke morgen zijn zij nieuw, groot is uw trouw!” (Kl. 3:21-23)

Het volk Israël dient in deze dagen God naar eer en geweten, en vanwege de heidense inmenging van het Christendom kan Juda het geloof in Jesjoea niet accepteren. God zal het beoordelen..

Slechts ten dele verworpen?

Het kopje van de NBG in Romeinen 11 ‘Israël slechts ten dele verworpen’ is dus onjuist. God heeft zijn volk nooit verworpen, ook niet ten dele. Van hen die in Jesjoea’s generatie ongehoorzaam bleven, en ook niet tot inkeer kwamen door het onderwijs van de apostelen, zullen er wellicht velen moeite hebben zich te verdedigen in het Gericht, maar het volk als geheel wordt nu nog steeds door God naar de verwezenlijking van de belofte aan Abraham geleid.

Als Joden nu het ware evangelie horen van het komende Koninkrijk, met de zoon van God als koning der koningen (en niet: ‘God de zoon’), dan is mijn ervaring dat ze erg nieuwsgierig zijn en het beloven te onderzoeken. Maar wie brengt nog het geloof van Jesjoea (Lucas 18:18) in deze tijd; hoe kunnen zij horen zonder prediker (Rom. 10:14)?

Het bloed van het lam Gods werkt achterwaarts naar Abraham, dat uitkeek naar Messias. Het kan echter niet vooruit werken naar allen die wel hun hoop op Messias stellen, maar Jesjoea’s naam niet kennen. Maar als Jesjoea terugkomt, zal hij de zonden van die huidige generatie van Jakob wel afwenden. Wellicht heeft God ook barmhartigheid en genade voor de vorige generaties, die Jesjoea vaak niet konden aannemen, vanwege het syncretisme en het gebrek aan predikers. We wachten in elk geval op wat te gebeuren staat:

“En aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden” (Rom. 11:26).

Wie zegt dat God nu niet naar hen luistert? Zij brengen zoals gezegd hun gebeden als offers, omdat de tempel vewoest is. Ook in Babel werden de gebeden zo verhoord. Zij bidden dagelijks meermaals:

Aanvaard welwillend, JHWH, onze God, uw volk Israël en hun gebed; herstel de dienst weer binnen Uw tempel met de in vuur opgaande offers van Israël; wil hun gebed met liefde aanvaarden en moge steeds de dienst van Uw volk Israël een genoegdoening voor U zijn.

Er zál ook weer een opgang naar de tempel komen (Zach. 14), met een bijzondere taak voor Levieten (Jes. 66).

Nog Enkele Opmerkingen

Buiten deze vraag om, is het een Bijbels feit dat het altijd een overblijfsel is, dat werkelijk godvruchtig wandelt. Ultra-Semitisme, wat gelooft dat elke Jood gered wordt, strookt dan ook niet met de waarheid en de liefde tot God. Wij mogen het volk niet verafgoden, al werkt de Geest in ons om hen te troosten (Jes. 40:1). Wij moeten in de waarheid blijven, en ondanks al het anti-Semitisme, geen ultra-Semiet worden.

Wij dienen onze vijanden lief te hebben; hoeveel te meer moeten wij dan onze oudere broer liefhebben, die uitgekozen werd omdat God hen liefhad en omwille van de vaderen, en die de Messias voortbracht… Zij staan ‘vijandelijk’ tegenover het evangelie (Rom. 11:28), maar dit kwam ons – de volkeren – ten goede (‘om uwentwil’), omdat het lam Jesjoea moest sterven.

Zouden wij dan afgunstig op hen zijn? Een volk haten, omdat een deel van één generatie uit Jesjoea’s tijd niet goed handelde? De jongste zoon in de gelijkenis krijgt (ook) een ring omgeschoven, maar hij kan alvast aan het feestmaal plaatsnemen, terwijl de oudste dagelijks nog hard werkt. De vader zei de oudste toch: “Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe” (Luc 15:31). Als wij, als jongste zoon, hen waarvan God zegt dat het volk in beginsel altijd zijn volk blijft, al niet kunnen liefhebben, door hen te veroordelen, dan zijn wij de naam Christen of Messiasbelijdende gelovige niet waardig.

We kunnen concluderen dat Jesjoea slechts door enkelen verworpen werd, dat dit – hoe fout ook – in Gods verlossingsplan voor de wereld lag en dat God hiermee niet ontrouw wordt aan zijn belofte om Israël uiteindelijk te verlossen. Ook zagen wij dat gelovigen in Messias niet zonder meer behouden zijn, omdat iedereen naar de Tora beoordeelt wordt. Wij kunnen echter wel ‘roemen’ op het oordeel. Maar Joden  – en zelfs de heidenen – die de Tora in hun hart geschreven hebben staan en hiernaar handelen, kunnen door hun Torabetrachting door het oordeel heenkomen, zonder aanname van Jesjoea, wanneer zij hem niet bewust ongehoorzaam waren.

Zoals hij zich eerst over Israël ontfermde, kwam daarmee met de geboorte van de Messias de ontferming voor heel de wereld, die weer eindigt bij de ontferming over Israël, zoals beloofd (Rom. 11:30-32).

Sha’ul gaat gelijk verder in Romeinen 12 met de vermaning ons leven als offer te geven. Dit kan alleen als men bewust is van Gods weg met Israël (en de wereld), en Israël niet langer veroordeelt, maar het oordeel overlaat aan de Rechter, onze God.