Wie is er bang voor Satan?

Tweesnijdend zwaardBij sommige Afrikaanse stammen bewijst de jongeling zijn mannelijkheid door een leeuw aan de staart te trekken.

Wanneer echter broeders in Messias tot de ‘mannelijke rijpheid’ willen komen, wordt hen vaak verteld de briesende leeuw Satan niet ‘uit te dagen’. Wat klopt er niet in dit plaatje?

Wel, men hoeft Satan inderdaad niet aan de staart te trekken, want Jesjoea heeft hem reeds ‘openlijk tentoongesteld’ (Col. 2:15). Men bewijst zich vooral een volwassen Christen door te wandelen in de wetenschap dat hij verslagen is en geen macht in zichzelf heeft, anders dan dat hij de mens kan proberen te verleiden.
Dit besef ontbreekt nog bij sommige volgelingen van Jesjoea; men moet proberen te allen tijde te beseffen dat God de Almachtige is, en dat de Satan door God aan bepaalde regels gebonden is in zijn ‘activiteiten’.

Het is net als met de vloek: wanneer men buiten de regels van Gods koninkrijk treedt, gaat deze automatisch in werking. Zo moet men ook buiten de klauwen van de Satan blijven, maar men is er in principe van gevrijwaard als men in Messias blijft.

Volgelingen van Jesjoea hebben soms toch nog een verkeerd beeld van de Satan. Weliswaar zijn ‘zijn gedachten ons niet onbekend’ (2Kor 2:11), maar vaak heerst er nog een verkeerd beeld van Satans machtspositie, die in wezen al uitgespeeld is.

Men moet Satan dus niet vrezen, maar het is wel goed om op de hoede te zijn, men moet immers, zoals Kefas zei, ‘nuchter en waakzaam zijn’, want, ‘uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden.’ (1Pe. 5:8) Op de hoede zijn betekent echter nog niet dat men beangstigd of licht paranoïde zou moeten zijn…

1. Angst voor Satans macht is ongegrond

Angst voor de Satan doet denken aan de rooms-katholieke priester die tevergeefs met kruizen demonen proberen uit te drijven… Aan middeleeuws christelijk en Joods bijgeloof… En bovenal aan angst dat een mens wordt belet zijn levenspad met God te bewandelen door inmenging van haSatan.

Wanneer de Satan inderdaad toch onze levenswandel belet, zoals hij de apostel Sjaoel eens belette de Thessalonicenzen te bezoeken (1Th. 2:18), is het goed te weten wat de reden kan zijn:

1) Satan heeft ergens een ‘vaste voet’ gekregen door te verzoeken, tegen Gods wil in, en bemoeilijkt zo Gods werk (1Th. 2:18);
2) Satan heeft in ons een vaste voet gekregen, doordat wij ons niet ten bloedens toe verzetten tegen verzoekingen die vanuit onze kwade neigingen voortkomen (Ef. 6:13; Hebr. 12:4; Jac. 4:7);
3) Satan verzoekt ons omdat God een beproeving toestaat, maar God laat de beproeving niet boven ons vermogen uitgaan en zorgt ook voor de uitkomst (1 Kor. 10:13).

In Sjaoel’s geval (van 1Th. 2:18) had de Satan ergens vaste voet gekregen, tegen Gods wil in (1).

Als wij bovenstaande op ons eigen leven betrekken, kunnen we dit eruit leren:
In het tweede geval zijn wijzelf verantwoordelijk en kunnen wij Satans invloed daarom grotendeels voorkomen, in het derde geval zijn wij overgeleverd aan God, onze Vader, de Rechtvaardige Rechter, en beoogt hij met een beproeving alleen het goede in ons leven. Alleen in het eerste geval moeten wij echt op onze hoede zijn, omdat de Satan hier door mensen heen kan werken en ons direct kwaad kan doen.

Satan werkt nog steeds in veel mensen en hitst hen op het kwade te doen. Niet alles wat er op aarde gebeurd is dus Gods wil. Wij bidden dat Gods wil op aarde geschiedt, maar dit zal pas het geval zijn als alle vijanden aan Jesjoea’s voeten zijn gelegd, wanneer het Koninkrijk op aarde er is. Zo was het Gods wil dat Jesjoea de dood des kruizes onderging, maar Jesjoea was hier pas na een gebedsstrijd toe bereid (uw wil geschiedde). Als zelfs de Messias moeite had Gods wil te doen, hoe zouden wij dan kunnen zeggen dat onder de mensen alles naar Gods wil geschiedt?

Het is in het leven als volgeling van Jesjoea dus wel van het allergrootste belang te beseffen dat de Satan geen werkelijke macht in zichzelf heeft, noch een partij is voor God. God zei Abraham al: ‘Ik ben uw schild’ (Gen. 15:1). Wij zijn geenszins overgeleverd aan de grillen van de mensenmoordenaar sinds den beginne…

Alle onredelijke angst jegens Satan geeft kan hem juist de macht verschaffen die hij in beginsel niet heeft. Hij kan ons verleiden en verzoeken, als aartsleugenaar (Joh. 8:44), maar God laat ons tevoren het juiste pad zien, zoals Hij ook Adam en Eva waarschuwde. Voor Jesjoea was Gods wil de dood aan het kruis, voor ons Zijn wil  in de eerste plaats het houden van de Tora zoals Jesjoea die uitlegde en het volgen van Jesjoea en daarmee de Vader door de innerlijke roepstem van Gods Geest.

Het belangrijkste is dus: God heeft ons de overwinning in Jesjoea gegeven en alleen wijzelf kunnen ons hiervan afhouden, door het verkeerde pad te kiezen. Zo zijn wij zelf onze grootste vijand (Satan).

2. Jobs geschiedenis & Satans begrenzing

Uit Job zijn geschiedenis zien we ook hoe Satan kan werken, volgens de hieronder opnieuw genoemde drie punten. Namelijk dat Job als rechtvaardige de zonde weerstond (2), niet helemaal goed met Gods beproeving omging, maar God niet vervloekte (3), en dat de vrienden van Job in wezen ten onrechte aanklagers waren van Job, doordat zij geen inzicht hadden over hoe God soms zijn weg met de mens gaat (1).

1) Satan heeft ergens een ‘vaste voet’ gekregen door te verzoeken, tegen Gods wil in, en bemoeilijkt zo Gods werk (1Th. 2:18);
2) Satan heeft in ons een vaste voet gekregen, doordat wij ons niet ten bloedens toe verzetten tegen verzoekingen die vanuit onze kwade neigingen voortkomen (Ef. 6:13; Hebr. 12:4; Jac. 4:7);
3) Satan verzoekt ons omdat God een beproeving toestaat, maar God laat de beproeving niet boven onze kracht uitgaan en zorgt ook voor de uitkomst (1Kor. 10:13).

We leren er onder meer uit dat God als Almachtige boven Satan staat en dat Satan dus door God begrenst wordt bij zijn kwade bedoelingen, en God deze bedoelingen zelfs als Alwetende ten goede kan gebruiken, voor een hoger doel.
Daarbij komt ook dat God niet achter het kwaad van de vrienden van Job zat, maar dat Satan bij hen vaste voet verkregen door een verkeerde, veroordelende leer (!).

Dit schetst een machtsveld waarin God weliswaar Almachtig is, maar waarin hij de mens (en de engel!) de vrije wil heeft gegeven om te gehoorzamen of om af te vallen. Niet al het kwade komt dus uit de hand van God voort, al schept Hij soms het onheil (Jes. 45:7). Een voorbeeld hiervan is dat God landen tegen Israël opzet, die vervolgens zelf te ver gaan in het kwaad dat God Israël toebedacht had (Zach. 1:15).

Er is dus in de hemelse gewesten en tot in alle vier hoeken van de aarde sprake van een bepaald machtsveld, waarin God, de Almachtige, de lijnen uitzet. Als de mens zich hier meer inzicht in verschaft, is het hem eenvoudiger om bij (grote) tegenspoed God niet te vervloeken, zoals de vrouw van Job hem toewenste.

3. God rechtvaardig, ook bij onheil

Wat dit betreft kunnen veel leren van het (niet-traditionele) Jodendom. Wanneer hen een erge gebeurtenis overkomt zegt men gebruikelijk deze zegenspreuk tot God op: ‘Geprezen, U, Eeuwige, onze God, Koning van de wereld, de ware Rechter.’

Zij erkennen daarmee dat Adonai Jahweh de uiteindelijke Rechter is over al het gebeuren; het lag immers in Zijn wijsheid om bij de Schepping de mogelijkheid tot het kwade toe te staan (al voorkwam Jahweh de gebeurtenis helaas niet!).

Elke gelovige weet dat de schepping  aanvankelijk ‘zeer goed’ was, net zoals er in God ‘in het geheel geen duisternis is’ (Joh. 1:5), maar wij moeten God ook roemen in zijn wijsheid om onder zijn schepselen de keuze voor goed en kwaad te brengen.
Dit alles betekent natuurlijk niet dat Hij de aanstichter zou zijn van (al) het kwade!

Zo doodde Kaïn Abel, niet naar Gods wil, maar wel naar Gods instelling van de vrije keus voor de mens. Adam en Eva zouden ook hierop bovenstaande zegenspreuk gezegd kunnen hebben, zonder daarmee God voor het kwaad verantwoordelijk te stellen.

Het is Satan die Eva verleidde en nog tot op deze dag de mens zoekt te verslinden. Daarmee is God niet onrechtvaardig. De eerste mens was immers ongehoorzaam…
Binnen het bestaande machtsveld is God Almachtig, het is de mens die Satan erin heeft binnengehaald. Jesjoea kwam om Satan zijn macht te breken en in onze korte levens hoeven wij de verslagen Satan niet te bevechten, alleen te weerstaan.

God heeft dus geenszins deel aan het kwaad; wel staat Hij boven het aardse en het hemelse en al wat hierin gebeurt; Als Schepper blijft hij Rechtvaardige Rechter, die altijd geprezen wordt, bij het goede zowel als het slechte.

Conclusie

Satan heeft onder gelovigen geen werkelijke macht. Wíj hebben de macht gekregen om hém te vertreden. Daarbij blijven wij bij verzoekingen te allen tijde zelf verantwoordelijk voor onze daden.

Wanneer ons toch kwaad overkomt, moeten we ook onszelf onderzoeken.
Zo zei David toen hij het paleis uitvluchtte en vervloekt werd door de Benjaminiet Simi: ‘Laat hem met rust en laat hij mij vervloeken, want Jahweh heeft het hem gezegd.’ (2 Sam. 16:11).

Als wij echter onberispelijk (b)lijken te zijn, zoals Job, moeten we ermee rekening houden dat het lijden een beproeving is (al komt veel lijden ook uit de gebroken schepping voort).

Anderzijds kan tegenspoed ook voortkomen doordat Satan bij anderen vaste voet heeft gekregen. Daarop moeten wij waakzaam zijn, zoals de apostel Sjaoel bij te grote tegenstand soms zelfs in opdracht het zendingsveld ontvluchtte (o.a. Hnd. 9:25). (In het tegengestelde geval spoorde God hem eens aan een zendingsveld te betreden, omdat de Here in die stad wél ‘veel volk’ had, vlg. Hand 10:18.)

In alle gevallen dienen wij God te blijven zegenen en Hem als de Rechtvaardige te belijden, omdat Hij de wereld en de mogelijkheden erin (ten goede of ten kwade) naar Zijn wijsheid heeft geschapen.

Ef. 6:10-13: ‘Voorts, weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht. Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden.’

Wij moeten dus niet bevreesd zijn voor de Satan, maar het kwade door het goede, door weerstand gebaseerd op geloof, overwinnen.

En wat betreft tegenstand van mensen, geldt:

‘Wij zijn voor hen geen ogenblik gedwee uit de weg gegaan, opdat de waarheid van het evangelie ook verder bij u zou blijven’ (Gal. 2:5).

 

Sjalom

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.