Waarom Jesjoea de ‘Eerste en de Laatste’ genoemd kan worden

Messias Jesjoea kreeg van God, de Vader, de macht toebedeeld om doden op te wekken. Uiteindelijk zal hij alle mensen voor zijn Rechterstoel (op)roepen. Zo krijgt hij na zijn opstanding de titel ‘de Eerste en de Laatste’, omdat hij generaties mensen oproept (verwijzing naar Jes41). 

Openbaring 1:17 – “En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten, en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij: Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste” (HSV) 

  1. De frase “de Eerste en de Laatste” is een titel die in de Bijbel vijf keer gebruikt wordt, waarbij twee maal toegepast op God (Jesaja 44:6, 48:12) en drie keer op de Zoon (Openbaring 17; 2:8; 22:13). Trinitariërs veronderstellen vaak dat aangezien dezelfde titel op zowel de Vader als de Zoon van toepassing is, zij beiden God moeten zijn. Deze aanname kan echter niet op Bijbelse redenen berusten.

Wanneer men het geheel van de Schrift bestudeerd, valt op dat eenzelfde titels voor God, Christus en mensen worden gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn “Heer” (zie Rom. 10:9), “Verlosser” (Romeinen 11:26) en ook “Koning der koningen” (zie 1 Tim. 6:14-16). Als andere titels van toepassing zijn op God, Christus en mensen, zonder dat hen dit allemaal tot “een God” maakt, dan is er geen reden om aan te nemen dat juist deze titel “de Eerste en de Laatste” zou betekenen dat Jezus en God één God zijn, tenzij de Schrift ons dat specifiek leert, hetgeen niet het geval is.

  1. In het Oude Testament, was God werkelijk “de Eerste en de Laatste”. De betekenis van de titel wordt niet specifiek gegeven, maar de sleutel tot de betekenis wordt in Jesaja 41:4 gegeven, waar God zegt dat Hij de generaties mensen ‘heeft (op)geroepen’ (קָרָא); en dat Hij met de eerste van hen was, en met de laatste van hen zal zijn.

Jesaja 41:4: “Wie heeft dit bewerkt en tot stand gebracht? Hij, die de geslachten van de aanvang af heeft geroepen; Ik, Jahweh, die de eerste ben, en bij de laatsten ben Ik dezelfde”.

De Bijbel verbindt de zinsnede “de Eerste en de Laatste” dus met het (op)roepen van de generaties.

Terwijl God degene was die de generaties in het Oude Testament riep, heeft Hij deze autoriteit nu aan Zijn Zoon toegekend. Zo wordt het duidelijk waarom de Here Jezus “de Eerste en de Laatste” wordt genoemd in het boek Openbaring.

Het zal Jezus Christus zijn die generaties mensen uit het graf zal (op)roepen om in te gaan tot het eeuwige leven. God gaf Jezus gezag om de doden (Johannes 5:25-27) op te wekken. Zijn roepstem zal alle gestorven gelovigen doen opstaan (1 Thess. 4:16 en 17), en hij zal onze lichamen in nieuwe, verheerlijkte lichamen veranderen (Fil. 3:20 en 21).

Maar zelfs toen Jezus zei dat hij bevoegdheid had om de doden op te wekken, beweerde hij daarmee niet dat hij deze autoriteit van zichzelf had, omdat hij God zou zijn. Hij zei altijd dat zijn Vader het gezag aan hem gegeven had.

Wanneer Jesjoea de Messias over zijn autoriteit onderwees , was het steeds duidelijk wie de ultieme autoriteit had: “de Zoon kan niets doen van Zichzelf…  de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven … Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven, leven te hebben in Zichzelf. En Hij heeft Hem macht gegeven om gericht te houden” (Johannes 5:19; 22; 26 en 27).

Als Jezus de bevoegdheid had om de doden op te wekken, omdat hij op enigerlei wijze God was, dan heeft hij dit toch nooit gezegd… Hij zei dat hij gezag had omdat zijn Vader het hem gegeven had.

Door dit gezag om generaties te verhogen, werd de titel geassocieerd met het bestaan ​​van de generaties en daarom werd Jezus Christus na zijn opstanding “de Eerste en de Laatste” genoemd.

Vertaling van Biblical Unitarian.

Opmerking: Verschillende geleerde broeders wijzen erop dat het niet helemaal zeker is dat Jesjoea in Openbaring wel echt ‘De Eerste en de Laatste’ genoemd wordt.
De openbaring gaat van God, tot Jesjoea en een engel naar Johannes. Daarom kan de zaak ingewikkelder lijken dat het in de eerste instantie lijkt (of de vertalers het soms willen doen geloven). Ik wil dit verder onderzoeken.

Commentaar van Uri Marcus volgt, en A. Buzzard schrijft:

‘In Rev. 22:12, 13 it may well be that the angel (the “he” of verse 10) speaks, as in the Old Testament, as God, representing Him. The Alpha en Omega of verse 13 probably refers, as does Rev. 1:8 and 21:6, to the Father for whom the angel in speaking.

The Almighty God is the one “who comes” in Rev. 1:8, and His coming may be described also in Rev. 22:12, followed by the divine title in verse 13. Jesus is the speaker again from verse 16.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.