De ogenschijnlijke gestaltes van de Eeuwige Torah

1x1.trans De ogenschijnlijke gestaltes van de Eeuwige Torah

Geprezen, U, JHWH, onze God, Koning van de wereld die ons door Zijn geboden bijzondere taken heeft opgelegd en ons heeft opgedragen de Torah te bestuderen. 

Reactie op Hoe lief heb ik uw wet, De Eeuwige Torah tussen Oude en Nieuwe Verbond - Dhr. W. J. Ouweneel
…hun, die zonder wet zijn, ben ik geworden als zonder wet (hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus) om hen, die zonder wet zijn, te winnen. (1 Cor. 9:21) 

Auteur: Chr. Levi Zoutendijk

Onderverdeling

Met dit vers tracht de schrijver een onderverdeling in de ‘wet van Christus’ en de ‘wet van God’ te brengen, terwijl juist dit vers deze op één lijn stelt. Het boek wilt een nieuwe ‘gestalte’ van Gods goddelijke Leer maken, die volmaakt is en nooit zal veranderen. Ouweneel zou de waarschuwing van de Messias ter harte moeten nemen dat er geen jota of tittel van de Torah verdwijnt. Lees meer over Messiasbelijdend Jodendom.

De schrijver ziet op basis van dit vers een ‘Messiaanse Torah’ (‘Wet van Christus’) en de Mozaïsche Torah (‘Wet van God’) in, waar de Bijbel die niet kent. Hij stelt dat het in plaats van volmaakt-foutloos-beperkt naar compleet-allesomvattend-universeel is gegaan. Weliswaar is de Torah vernieuwd in Jeshua zijn bloed (Jer. 31) – Prijs JHWH – , maar er wordt niet een nieuwe Torah gegeven. In werkelijkheid is de Torah zelf al geestelijk (Rom. 7) en zijn de zogenaamde ‘verdiepingen’ van Jeshua over de Torah al in de Torah zelf te vinden.
Het is wel waar dat de Torah wat minder scherp lijkt dan Jeshua’s onderwijs en het is ook waar dat als Jeshua Koning op aarde wordt, de Torah pas ten volle zal schijnen. De Messias zegt niet voor niets dat sommige geboden vanwege de hardheid van ons hart gegeven waren, maar dat dit niet ‘van den beginne’ al zo was (Mt. 19:8). Hij zegt daarmee eigenlijk dat de Torah in zichzelf vanaf het begin groter is dan de geschreven letter. Maar voor de geestelijke mens zijn zij wel één. Ook de apostelen schreven dat de Torah scherper dan enig tweesnijdend zwaard is.

Eén keer

God heeft Zijn Torah één keer gegeven (en vernieuwd) en wij die de Geest hebben ontvangen kunnen deze Leer onderhouden: opdat de eis der wet (Torah) vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest. (Rom. 8:4). Hier wordt niet bedoeld dat een diepere zin van de Torah gehouden moet worden, maar de Torah zelf, door Messiaanse gelovigen. Geen andere gestalte of iets dergelijks. Dit gebeurt dus zonder de Torah op onnatuurlijk op te delen.
In een appendix wordt ook aangehaald dat er verordeningen in de Torah zijn die door Jeshua en de apostelen zogenaamd zijn herzien of aangevuld (p. 282). Zo zou het eren van de ouders zijn aangevuld met het gebod God meer lief te hebben, ook volgens Juster. Dit is natuurlijk onzin, want de Torah kent zelf het principe van zwaardere/grotere geboden die een ander overschaduwen kunnen: het grootste gebod God met alles lief te hebben ging natuurlijk al altijd boven de liefde van de ouders uit! En tegelijktijd kun je zo nog altijd blijven eren! Je ziet daarmee dat de Tien Woorden niet het grootst zijn, maar juist het Liefdesgebod. Net zoals de liefde alle overtredingen bedekt (Spr. 10:12) transcendeert het grootste gebod de andere kleinere geboden binnen de Torah zelf! Er is dus geen sprake van verschillende gestaltes van de Torah!
Een ander voorbeeld (andere kop) is dat je volgens de Torah een waarzegger moet haten. Dit geldt voor ons nog steeds: als iemand niet naar de gemeente wil luisteren, geldt: ‘hij zij u als de heiden en de tollenaar’ (Mt. 18:7), en ‘haat’ je hem dus (in de betekenis van: niet evenveel liefhebben).

Dhr. Ouweneel heeft het over een transcendente Torah. Maar de Bijbel leert dat het ware vaak al in de hemel bestaat, dat geldt bijvoorbeeld voor ‘de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens’ (Hebr. 8:2), en dit geldt net zo goed voor de Torah. De werkelijke Torah ligt in de Ark in de hemelse tempel, en voor de geestelijke mens is er geen verschil tussen de in steen geschreven Torah – die tot geestelijk is – en deze Torah. De Torah verklaart zichzelf. Ook om deze reden kan de Torah een ‘Koninklijke wet’ genoemd worden (Jac. 2).
Dhr. Ouweneel richt zich als het ware op verschillende kleuren die uit een prisma kunnen ontstaan en verloor zich in één van die kleuren, en vergat dat voor God alle kleuren uit het witte licht ontstaan. Ouweneel onderkent dit wel, maar staat niet net als God boven de verschillende kleuren, hij denkt niet vanuit de Oorsprong, wat een hemelbewoner toch zou moeten doen.

Verdere overwegingen

Toch is het soms nodig om de Messiaanse beweging te herinneren dat Jeshua de Torah in zekere zin vernieuwde. Ook de schrijver van Hebreeën waarschuwt ons dat met een zwaardere straf kan verwachten onder het vertreden van dit nieuwe verbond, dat in Jeshua zijn bloed is gemaakt. Het is in die zin een moedige poging van Dhr. Ouweneel om dit naar boven te halen, maar hij prikt niet door bepaalde verzen heen en legt te veel nadruk op kasjroet, maar boven alles zou hij er geen nieuwe structuur van moeten maken, waar God zelf dit syncretiseert.

Daarom is het onjuist dat Ouweneel een onderverdeling van de Torah in een Mozaïsche, Messiaans en Millenniale bedeling maakt, of er hierin, wat hij noemt gestaltes in ziet. Deze onderscheiding is niet vanuit God beredeneerd, maar een poging van de arme mens om op basis van ogenschijnlijke onderscheidingen een nieuwe Leer te brengen in een nieuwe ‘bedeling’. hij gebruikt deze onderverdeling om uit te leggen dat volgens hem gelovigen uit de heidenen geen Torah hoeven te onderhouden (wat toch een voorrecht is).

Hij geeft wel aan dat hij inziet dat Messiaanse Joden dit moeten en dat het voor Christenen alleen maar goed kan zijn – hij heeft er respect voor – . Maar hij wijst erop dat volgens hem grote risico’s bestaan in het onderhouden van de Torah voor gelovigen uit de volkeren. Het zou moeilijk zijn dit op basis van zuivere motieven te doen; men moet niet filosemitisch zijn of wettisch worden en men is er niet met de Torah opgevoed, en het is moeilijk het een plaats te geven. Deze argumenten zijn valide, maar zwak. Dit gevaar bestaat altijd, maar het vormt geen reden om Torah te onderhouden. Er zou volgens hem ook geen Nieuw Testamentische aanwijzing voor zijn voor het houden van de Torah voor gelovigen uit de volkeren. Want Hand. 15:26 zou niet uit te leggen zijn (over het wekelijkse Sjoelbezoek), en wat de Torah zegt houdt hij helaas buiten zicht (zie hierover andere artikelen). Maar in Abraham zijn zaad Jeshua zijn allen gezegend. Wij hebben het burgerschap Israëls (Ef. 2) ontvangen en mogen eindelijk Torah houden, een voorrecht en een plicht!

Het boek geeft wel een mooi overzicht van parallellen tussen De Torah, de vernieuwing onder Jeshua en de uitvoering van eenzelfde Torah in het Vrederijk. Dhr. Ouweneel ziet een vernieuwing in: koning, priesters en tempeldienst, profeet, berg, theofanie, basisoffer en verlossing, engelen, lied, maaltijd en zegeningen. Het leert de mensen ook de Torah niet te zien als een last, maar iets heerlijks. Hij legt uit dat een vers als ‘Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven’ (Gal. 2:19) alleen een ogenschijnlijke tegenstelling inhoudt. Daarnaast legt hij uit dat Sh’aul nooit de Torah overtrad (zelf als Jood de voorvaderlijke overleveringen niet, (tenzij het met de Torah in conflict kwam, Levi)) en dat het gebruik van het woord ‘wet’ niet altijd op Torah slaat. Hoofdstuk drie is bijvoorbeeld een aanrader voor mensen die willen leren dat de wet geen wet is, maar een Levensleer ten leven.

Maar de Torah kan dus simpelweg niet in stukjes worden gehakt. Het ontvouwt zichzelf (De. 1:5) aan de lezer, die de ‘wonderen uit uw Torah’ (Ps. 119:18) wilt doorgronden. In Jeshua zijn tijd hield niemand de Torah (Joh. 7:19), de Torah kan alleen maar in de harten van Godlovers bestaan en dat is van alle tijden, onder alle ‘bedelingen’!! Ouweneel haalt zelf rabbijnen aan die het geven van de Torah zien als engelen, die bij hun verschijning op aarde een andere zichtbare gedaante moeten aannemen; zo is ook de Torah op aarde gekleed in een gewaad, dat bestaat uit ‘verhalen’, en de ziel en het lichaam zijn dan de wetten. Het is jammer dat Dhr. Ouweneel hieruit opmaakt dat de Torah in verschillende verschijningsvormen zou komen en niet de essentie van deze les overneemt. Want voor God is een engel altijd hetzelfde, welke ‘vorm’ hij ook zou hebben, en zo moeten ook wij zoals God de Torah bezien vanuit het gezichtspunt van God, en dan valt alles op zijn plaats. Dan is de Torah onveranderlijk! Ook de Torah-getrouwe Joden in Israël nu hebben moeite hun mitswot te doen, in een gedeeltelijk seculiere samenleving. Toch proberen ze deze altijd naar de mogelijkheden die er zijn, te houden. Denk ook aan velen die in de kampen nog de mitsvot probeerden te houden.. Wij kunnen daaraan een voorbeeld nemen.
Dhr. Ouweneel schrijft dat niet-Messiaanse gelovigen de schaduwen hebben, niet-Joodse gelovigen de vervulling hebben en dat Messiaanse Joden allebei hebben. De schaduw, bijvoorbeeld die van het Pesach-ram (voorafschaduwingen) en het wezenlijke kunnen echter niet ontkoppeld worden, ze zijn één.

Het is wel waar dat het ingewikkeld is om in te zien hoe de Torah vandaag gehouden moet worden, buiten een theocratie. Jeshua merkte volgens mij ook al op dat we jonge wijn in nieuwe zakken moeten doen. Hij had het hier over beslissingen van leiders in de komende Messiaanse gemeente. Het interpreteren van Torah is dus in de eerste plaats hún verantwoordelijkheid. Lees verder over Messiasbelijdend Jodendom (zie para. 5).

2 thoughts on “De ogenschijnlijke gestaltes van de Eeuwige Torah

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title="" rel=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>