Parasja Kees Bloed

Vanuit de sjalom die Jesjoea ons bracht, wordt in deze driejarige parasja (Schriftlezing) de veelkleurige, heilige Tora  voorgelegd en ontvouwd.
Lees hieronder een van de parasja’s en neem contact op om meerdere te ontvangen.

Parasha De vuurplaats

69. Wajikra (En Hij roept)Vuurplaats

Uit de Tora: Leviticus 1-3 (De vuurplaats)
Uit de Profeten: Micha 6:9-7:8 (Oordeel verwelkomen)
Uit het Goede Nieuws: 1 Korinthe 1:10-17
(Inhoud van het kruis)
Voor de zangleider: Psalm 73

JHWH roept Mozes bij Zich in de Tent van de afgesproken ontmoeting om in Gods aanwezigheid te zijn. Daar spreekt JHWH met Mozes en zegt het volgende: “Spreek tot de zonen van Israël die rondom Mijn Woning verblijven. Elk mens die tot Mij wil naderen, neemt uit zijn eigen bezittingen een toenaderingsgave bij zich om te offeren: één van de dieren als geschenk voor JHWH. Maar niet elk dier is geschikt! Neem dus een rund uit de veestapel of een schaap of geit uit de kudde mee, als toenaderingsgave om te naderen voor JHWH’s aangezicht. Zo’n gave bestaat uit verschillende offers, allereerst een opheffingsgave. Als deze uit de runderen is, ga je als volgt te werk. Het rund zal mannelijk zijn. Volkomen gaaf zal hij gebracht worden als toenaderingsgave. De man in kwestie neemt zijn gave mee naar de ingang van Mijn Tent waar afgesproken is dat de ontmoeting plaatsvinden zal. Daar zal hij zich met zijn gave presenteren om tot wederzijdse verrukking en verzadiging aanvaard te worden en Mij te ontmoeten. Dan legt hij zijn hand op de kop van de stier die opgeheven zal worden in zijn plaats, zodat Ik Mij kan verheugen in de aanvaarding van deze man die door dit offer verzoend zal worden met Mij.

Dan zal de man deze zoon van de veestapel dóden, in het zicht van JHWH. De priesters die klaarstaan, zonen van Aharon, zullen dan het bloed nemen dat vrijkomt en dat uitgieten, tegen het altaar (bij de opening van de Tent van ontmoeting) aan, rondom. Zo vloeit het leven van het dier dat geofferd zal worden in het vuur, terug naar de aarde. De man die nadert, zal de stier villen en in stukken snijden. Het vuur moet dan worden geschikt door de priesters, zonen van Aharon, zij vullen het hout aan zodat het vuur branden zal. De priesters brengen de stukken vlees, de kop en het vet naar het altaar en leggen het bovenop het brandende hout in het vuur. Ook de poten en de ingewanden zullen door hen in het vuur gelegd worden, nadat ze door de man gewassen zijn met water. De opheffingsgave zal branden in het vuur, onder toezien van de priesters, de zonen van Aharon, totdat dit helemaal is verteerd. JHWH zal de geur hiervan ruiken, en tot verzadiging toe rust vinden, om de man die nadert in vreugde te ontvangen. (1)

Leviticus

Leviticus 1-7 wordt meestal betiteld als ‘wetten voor de offers’. De namen van de verschillende offers worden dan boven het bewuste stukje gezet, en zo krijgen we hier dus voorschriften over offers die bij de Tempel horen. Dit lijkt vervolgens dan niet zo relevant voor ons, want meestal hebben wij christenen maar weinig idee van de Tempel en de cultus die daarbij hoorde. Zo is het begin van Leviticus een moeilijk en taai stuk geworden, een stuk waar je jezelf doorheen moet worstelen. Daarmee is de toon voor het boek gezet: Leviticus is het minst populair en het saaist van heel de Bijbel. Wel, laten we eens zien.

JHWH roept

Het boek Leviticus draagt de Hebreeuwse naam Wajikra. Het zijn de openingswoorden van het derde boek in de Tora, het boek dat de ontmoeting met JHWH bespreekt. Na de beloften die in Genesis beschreven worden, en de verandering van slaaf naar vrije in Exodus, kan de Tora eindelijk spreken over wat JHWH het meest van al begeert: een ontmoeting tussen Hem en de mens, zoals Adam in de Tuin van Eden. Daarom opent het boek met de woorden “En Hij roept!” Israël was al een hele tijd op weg om te leren wandelen als vrije mensen in de herschepping die God op de berg Sinaï uitgesproken heeft. Maar telkens werden er nieuwe maatregelen genomen om afstand te scheppen tussen God en Israël (2), omdat zij er nog teveel moeite mee hadden om hun slaafse identiteit van afgodendienaar af te leggen. Maar die afstand blijft overbrugbaar! We zagen in Exodus een ‘zeven stappen plan’ ontstaan die de afstand tussen God en mens overbrugt (par 57). Maar de informatie hierover was beperkt en we durfden niet verder te gaan dan de tafel en de menorah die in het heilige staan (par 60).

In Leviticus vinden we een hervertelling van de komst van JHWH in het kamp van Israël (Lev. 9). Daarnaast vinden we heel uitgebreid omschreven hoe de mens tot Hem mag en kan naderen om Hem te ontmoeten. JHWH roept de mens in Leviticus om te komen en vreugde met Hem te bedrijven en een maaltijd met Hem te vieren en de eenheid met Hem te bevestigen. Zo brengt Leviticus ons dichter bij JHWH dan enig ander boek in de Bijbel! Is het dan niet schokkend om te zien dat juist dit boek het minst populair van de Bijbel is?

De naderende mens

De meeste Bijbels openen Leviticus met kopjes waarin de namen van de offers zijn vertaald met brandoffer, spijsoffer, dankoffer, enzovoort. Maar dat is helemaal niet het onderwerp van onze parasja! Dit zijn wel thema’s die aan de orde komen, maar het leidt de aandacht af van waar het hier in de tekst eigenlijk echt om gaat. We zagen al dat God de mens bij Zich roept in de Tent die Israël uit liefde voor Hem heeft gebouwd. Nu, als antwoord op JHWH’s roepende stem, komt Mozes in die Tent en spreekt met God. Maar God wil niet alleen Mozes in de Tent hebben, Hij wil iedereen kennen in de diepste zin van het woord. Dus Hij opent Zijn openbaringen in de Tent met de mens (adam) die tot Hem wil komen (vs. 2)! Niet de Israëliet, of de priester, of hogepriester, maar de mens! De mens in al zijn onreinheid en afgodische en slaafse kenmerken waar we in Exodus over lazen. Als JHWH roept, opent Hij dus de weg voor elk mens, hoe ver van Hem verwijderd ook, om tot Hem te komen en Zijn roepstem te volgen! Dát is het onderwerp van deze parasja! Het naderen van de mens die door JHWH geroepen wordt en gemeenschap met Hem wil hebben.

Toenaderingsgave

Het Hebreeuwse woord voor naderen is karav. Hiervan is ook het woord korban afgeleid, wat meestal vertaald wordt met offer. Maar omdat dit woord zo verwant is aan het naderen, heb ik er de vertaling ‘toenaderingsgave’ aan gegeven. Het is een gave, dat wil dus zeggen een vrijwillig geschenk van de mens aan JHWH, niet om Hem gunstig te stemmen, maar om uit liefde in overgave aan Hem te geven! Mensen zijn helemaal niet verplicht om God iets te geven. Alleen als wij het verlangen hebben om Zijn roepstem te volgen en Hem te leren kennen, dan geeft Hij de weg aan die naar intimiteit met Hem leidt. En daar hoort dus een gave bij. Als je die niet geven wilt, laat het naderen tot JHWH dan ook achterwege. Blijf dan maar gewoon waar je bent, want het naderen is geen ‘uitstapje’ of ‘hobbyuurtje’ om even God te leren kennen.

De man en zijn gave zijn allebei voorbereid. De man is weggetrokken uit zijn gezin en zijn dagelijkse werk. Hij is schoon en verzorgd en zijn kleren zijn gewassen. Het dier dat hij heeft meegenomen, is vanaf de geboorte al apart in het oog gehouden. Want het is een gááf dier, waaraan geen gebrek is. Het mooiste en beste dier van de kudde! De verzorging die het gehad heeft, liet niets te wensen over. Dit dier heeft de ervaring van de Tuin van Eden gehad bij zijn meester die nu samen met hem optrekt om te naderen tot JHWH.

Opheffingsgave

Dan komt de man met zijn gave bij de ingang van de Tent van God. Hier is afgesproken met JHWH, de God van de herschepping, voor een ontmoeting. Als hij in de opening staat, ziet hij het grote altaar voor hem opdoemen. Mannen in witte kleren lopen daar rond en één van hen komt bij hem om hem van dienst te zijn. Tranen staan in zijn ogen, want hij weet dat het dier zal sterven. De priester spreekt hem troostend toe. En dan weet de man weer waar hij voor komt, een vreugdevolle ontmoeting! De priester legt hem uit wat hij zelf doen moet, en de diepe les die daardoor aan hem onderwezen zal worden. Hij moet het dier dóden, zijn leven opheffen! Niets zal er van het dier overblijven. Met liefde en zorg heeft hij het altijd omgeven, maar nu komt daar een einde aan. Het is een olah, een opheffingsgave. Door handoplegging toont hij zijn band met het dier, hij is een eenheid met hem. Nu heeft hij als taak om het oordeel te vellen, het dier te doden, te villen en in stukken te snijden. Alles wat naar het altaar gebracht moet worden, wordt door de priester daarheen gebracht. Maar de daad van het offer, is zijn eigen daad.

De vuurplaats

Met bevende handen doet de man wat nodig is om JHWH te ontmoeten. Het bloed wordt door de priester opgevangen en bij het altaar uitgestort. Dan is de priester bezig met het hout schikken en het vuur zo heet mogelijk te stoken. Als de man het dier aan stukken gesneden heeft en de poten en ingewanden gewassen heeft, tuurt hij in het vuur. De priester legt er alles in. Een donkere rookwolk stijgt op en beneemt het zicht op de Tent die achter het altaar staat. Met pijn in zijn hart, denkt de man aan het dier dat daar in rook opgaat. Het vuur op het altaar knettert en grijpt verterend om zich heen. Dat vuur is de grote confrontatie voor deze man op zijn weg naar JHWH. Dat vuur laat iets zien van hoe het bij JHWH is, want dat vuur was ook op de berg Sinaï waar JHWH Zich aan Israël openbaarde. Nu zijn opheffingsgave geofferd is, weet de man, dat hij verder gaan mag om JHWH te ontmoeten. De prijs daarvoor is hoog, maar zijn liefde voor JHWH is groter. Hij wil JHWH ontmoeten en weet dat hij daarom één moet worden met de dood van het dier. Hij moet als het ware door het vuur heen, om God te ontmoeten. Dankzij het dier dat hij gegeven heeft, is de weg naar JHWH vrij!

Deze mens heeft zich door dit plaatsvervangende sterven verzoend met God en krijgt toegang tot Gods Woning om daar JHWH te aanbidden en ontmoeten zoals eens Adam in de Tuin van Eden.

Verdieping

Dit blok geeft enkele onafgemaakte denklijnen en vragen voor diepere studie. Zo kunnen we een steeds beter beeld krijgen van het onderwijs dat JHWH ons geeft door Zijn Tora. Als basis voor diepere studie is het goed om het boekje “Hebreeuws denken” door te nemen. Dit kunt u vinden op onze website onder ‘Tora’. 

  • In onze parasja ligt de nadruk niet speciaal op de opheffingsgave. Wel is het de basis voor de ontmoeting tussen God en mens. Hoe herkennen we in bovenstaand commentaar de eerste drie stappen om tot God te naderen (par 57)? En hoe kan iemand die geen priester is, wél stap vier en vijf in praktijk brengen?
  • Een ‘olah’ wordt zelden op zichzelf gebracht. Daarnaast krijgen we daarom onderwijs over ‘minchot’ en ‘zevach sjelamiem’, broodgiften en vleesgiften voor het vredesmaal. Waar vindt de maaltijd plaats die de gewone man uit Israël voor Gods aangezicht eet? En waarom moet hij de spijzen eerst via een priester aanbieden en een deel ervan laten consumeren?
  • Micha stelt een vraag bij de opheffingsgaven in hf. 6:6 en 7. Het antwoord hierop is dat het onderwijs van de olah tot ons door moet dringen, en daar gaat de haftara over. Welk onderwijs over de olah geeft de profeet? Hoe herkennen we daarin de vuurplaats die altijd brandt?
  • Ondanks het oordeel en het vuur dat de oordeelsplaats symboliseert, is er hoop! Hoe kunnen we de weg van de hoop bewandelen volgens Micha?
  • Paulus geeft hetzelfde onderwijs. Hij stelt het kruishout centraal waaraan Jesjoea gestorven is, net zoals de opheffingsgave centraal staat bij het naderen tot JHWH. Wat betekent ‘de weg van de hoop’ (volgens Micha) voor 1de gemeenschap waarin we zijn, volgens Paulus? 

Volgende week lezen we:

Leviticus 4:1-6:11 (Zonde en schuld), Zacharia 5:3-6:14 (Gods Geest komt tot rust), Romeinen 2:1-11 (Oordeel) Voor de zangleider: Psalm 74

© 2013 Kees Bloed, illustraties Tobias Lengkeek
www.sjemajah.nl


(1)     Leviticus 1:1-9

(2)     De eerste keer dat we dat zien gebeuren in Exodus is in hf. 19:13 en 23, 24. Eerst mag Israël wél de berg opklimmen, maar vervolgens worden ze hiervan weerhouden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.