Messianen – Geen waterputters/houthakkers

102_01_0050_BethanyIn de Messiaanse Beweging hebben Joden een streepje voor. Ook de honden eten immers van de kruimels… Of niet? Messianen, gedraagt u niet als waterputters! 

 

 

 

Kruimels met list

Er bestaat een treffende gelijkenis tussen de Kananese Gibeonieten in de geschiedenis van Jozua (Jehoshua) en de Kananese vrouw bij Jesjoea (Jehoshua). Ieder komt tot (een) ‘Jehoshua’ op een kritiek moment in de heilsgeschiedenis van het volk Israël. Beiden worden door een ‘list’ met kruimels toegelaten tot het verbondsvolk. Leest u mee?

‘Maar toen de inwoners van Gibeon gehoord hadden, wat Jozua met Jericho en Ai gedaan had,  gingen ook zij met list te werk: zij begaven zich als afgezanten op weg, namen versleten zakken voor hun ezels en versleten wijnzakken, gescheurd en weer dichtgebonden,  en versleten, opgelapte schoenen aan hun voeten en versleten kleren aan het lijf (1), terwijl al het brood van hun teerkost uitgedroogd was; het was een en al kruimels.’  (Joz. 9:3-5)

‘Hij echter antwoordde en zeide: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls.  Maar zij kwam en viel voor Hem neer en zeide: Here, help mij!  Hij echter antwoordde en zeide: Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.  Maar zij zeide: Zeker, Here ook de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel van hun meesters vallen.  Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O, vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst!’ (Mt. 15:22-28a).

Het kan zijn dat deze vrouw een Jodengenoot was, die zinspeelde op de geschiedenis van de Gibeonieten. In elk geval beroepen beiden zich op ‘kruimels’, om toch genade te mogen ontvangen om als buitenstaander een zegen te ontvangen.

De Gibeonieten ontvangen echter een vloek: zij zullen altijd waterdragers en houthakkers zijn (9:23). Toch is het voor hen een zegen om opgenomen te worden binnen het verbondsvolk. Niet alleen redden ze met hun list hun eigen leven, ook ontvangen zij – net als wij later – het ‘burgerschap Israëls’ (Efe. 2:12). Zij zullen voortaan voor de vergadering en voor het altaar dit werk verrichten (v. 27). (2)

Daarvoor, in Deut. 29:11 werden de waterdragers en houtputters van Israël zelf nog genoemd: ‘zelfs’ deze ‘kleinsten’ van de Israëlieten zouden tot het verbond toetreden, en moesten alle onderwijzingen metterdaad doen. Nu kwamen er vreemdelingen, Gibeonieten, bij, waarvoor zou gelden: Eénzelfde ‘wet’ (Torah, Onderwijs) zal gelden voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling, die in uw midden vertoeft (Ex. 12:49). Dit was zoals gezegd een groot voorrecht voor een vreemdeling. Hij ‘zal gelden als in het land geboren’ (Ex 12:48).

De Gibeonieten waren met list binnengekomen en de Kananese vrouw gaat nu met wat Jesjoea elders noemt ‘meer overleg te werk’ (Lucas 16:8b). De vrouw redt met een soort vondst (of ‘list’) haar kind van bezetenheid.

Er lopen veel parallellen tussen Jesjoea en Jozua. Beiden helpen hun kudde het beloofde land en te komen en bevestigen de geldigheid van de Torah aan het begin van hun bediening (Mt. 5/Joz. 8). Nu mogen in beide gevallen dus twee buitenstaanders (vreemdelingen) ook tot het Verbondvolk toetreden, terwijl de poorten naar het beloofde land net openstaan. Jesjoea kwam weliswaar voor de verloren schapen van Israël en Jozua moest het land voor enkel Israëlieten bestemmen; – toch liet God een weg open, omdat Hij er ‘van meet aan erop bedacht geweest is, een volk voor Zijn naam uit de heidenen te vergaderen’ (Hand. 15:14). (3)

Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de Gibeonieten en de Kananese vrouw een soort van uitzondering waren. Men kon immers als vreemdeling normaliter tot Gods verbondsvolk toetreden; de Kananese vrouw kon dit in principe ook. Wel heeft het traditioneel Jodendom dit erg moeilijk gemaakt. Dit komt ook deels door de wreedheden van de ‘Kerk’.

206_01_0133_TopicalBkgIn elk geval was Gods bedoeling dat mensen konden toetreden; de rechten en plichten hetzelfde waren met het ontvangen van het burgerrecht Israëls ook. Toch waren er nog verschillen. Zo kon een priester alleen van de stam Levi komen, en zo zijn er meer voorbeelden. Men was gelijk voor de Tora, maar dat betekende niet dat men ook dezelfde dienst voor God kon verrichten. Dat is in Jesjoea veranderd. Daarom is er uit de geschiedenis die we nu behandelen, een rijke les te leren. Toch hebben de nakomelingen van Levi bij Jesjoea’s komst waarschijnlijk ook weer een aparte taak (!) (Mal. 3:3). (4)

Het grote verschil bij Messianen: List zonder kruimels

Wanneer Sha’ul (Saulus/Paulus) voor Jehoshua (Jesjoea) onder de volkeren gaat evangeliseren, vangt hij hen zelf toch óók weer met ‘list’: ‘Het zij zo; tot overlast ben ik u niet geweest, ik ben nu eenmaal sluw, met list heb ik u gevangen.’ (2Kor. 12:16 )

Dit keer zijn worden zij echter geen waterputters en mogen zullen zij een ‘Koninklijk priesterschap’ vormen (1 Pe. 2:9). Voor hen geldt ook dezelfde Torah (Hand. 15) en zij krijgen besluiten door van de apostelen uit Jeruzalem (Hand. 16:4). In Jesjoea ‘gelden’ wij niet alleen als ‘in het land geboren’ (Ex 12:48), wij zijn het ook, samen met de Jood! Wij zijn beiden ‘uit God geboren’ (1Joh. 5:1).

Wij zijn nu werkelijk één in Messias!

Waar de Gibeonieten nog een vloek over zich kregen, werd de Kananese vrouw verhoord en worden na Jesjoea’s vervangend lijden alle gelovigen uit de volkeren ‘met allerlei geestelijke zegen’ (Ef. 1:3) gezegend. Er is geen onderscheid meer:

‘Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, een en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen’. (Rom 10:12)
Het ‘eerst de Jood en ook de Griek’ (Rom. 2:10) duidt dan ook geen rangorde aan.

Overigens waren alle mannen uit Gibeon helden (Joz. 9), die de mare van Israël – dat uit Egypte geleid was – erkende, en was de Kananese vrouw vol geloof. Dat we als niet-Jood nog niet tot het verbondsvolk behoorde, betekent niet dat God niet al naar ons speurde, en onze wil tot het goede bemerkte.

Als de Messiaanse gemeentes onder leiding van de Messiaans-Joodse apostelen een gezonde groei hadden meegemaakt, dan hadden de gelovigen uit de volkeren de gezonde leer kunnen bewaren bij het vervullen van verschillende bedieningen binnen de gemeente. Timoteüs, met zijn Griekse vader, was als rechterhand van Sha’ul hier een goed voorbeeld van.

206_01_0194_TopicalBkgHelaas is het verkeerd gegaan door de scheuring die plaatsvond binnen die eerste Messiaanse Beweging. Maar in onze dagen zijn het – Adonai Jahweh zij gedankt – vaak weer Joden geweest die ons gelovigen uit de volkeren wezen op het belang van de Tora!

Hier mogen wij immer dankbaar voor zijn, maar nederigheid mag niet verworden tot ‘gewilde nederigheid’ tegenover (Messiaanse) Joden. Dit is wat veel ultra-Semitische gelovigen dreigen te doen. Hiervoor geldt zelfs de waarschuwing dat wij de prijs zouden kunnen missen (Col. 2:18).

Wij moeten onszelf niet tot waterdragers en houthakkers maken, als wij in Jesjoea volmaakt één zijn verklaard met Messiaanse Joden.

Wij schatten het offer van Jesjoea anders te gering. Zijn Vader had immers de hele wereld lief (Joh. 3:16). Ja, het is nu de tijd van restauratie: Wij leren veel van onze Hebreeuwse wortels. Maar dit mag niet betekenen dat wij onze identiteit ten opzichte van (Messiaanse) Joden zouden miskennen. Wij zijn in Messias precies evenveel waard in Gods ogen als Messiaanse Joden. God ziet de mens niet aan. En God ziet ons in Messias als één lichaam van volmaakt Toragetrouw verklaarden. Amen.

(1) Hier kan Mt. 9:17 misschien ook verbonden mee zijn. Bij beiden is er sprake van gescheurde zakken/klederen die hersteld zijn. Voor de Gibeonieten brak er een andere tijd aan, zoals ook voor Joden die tot Messias kwamen/komen. Voor nog een andere gedachte hierover, zie Hfd. 4 van Messiasbelijdend Jodendom, ons geloof?

(2) Later herstelt David een bloedschuld op Saul’s huis vanwege moord op de Gibeonieten; hieruit valt op te maken dat God de Tora zonder aanzien des persoon toepast).

(3) Het gros van de Kanaänieten moest echter sterven, vanwege hun zonde (De. 9:4), zoals onze ongehoorzame tijdgenoten haast niet door het oordeel heen zullen komen, vanwege hún ongehoorzaamheid. (1Pe. 4:18)

(4) Het is mooi te bedenken dat Israël al snel Gibeon te hulp schiet, nadat zij aanvaard waren binnen het verbond. God is dus nooit partijdig tegenover nieuwelingen.

Een gedachte over “Messianen – Geen waterputters/houthakkers”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.