Juda staat borg voor Christenen


Waarom stelde Juda zich borg voor Benjamin, om hem terug te brengen bij Jakob? Kunnen we hierin een beeld zien van Juda, die – onbewust – zichzelf borg stelt om zijn jongere broer, de Christenen – bij God te brengen? Allen onder de volken die God welgevallig zijn? Enkele gedachten bij de parasha.

Uit Kees Bloed’s parasha:
Jakob zendt Juda voor hem uit naar Jozef, om de weg te wijzen naar Gosen. 
Dan komen ze aan in Gosen. Jozef laat ook zijn wagen inspannen en haast zich naar Gosen om daar zijn vader Israël te ontmoeten. 

Als hij hem ziet, vliegt hij hem om de hals en huilt. Zo staan ze daar lange tijd. Israël zegt tegen zijn zoon Jozef: “Nu kan ik sterven want ik heb je verschijning gezien en weet dat je leeft!” 

Jakob ‘buigt’ voor Josef

Kees schrijft verder in het tweede kopje ‘Israël en Jozef’ (2e alinea):

Als Jakob Jozef ontmoet, is hij de vader van een grote familie. Hij is hier ook de vader van alle Israëlieten aller tijden. Daarom is dit ook een heel belangrijke ontmoeting. Ten lange leste ontmoet Jakob zijn zoon Jozef, heersend over heel Egypte.

Als we  Jozef zien als een voorafschaduwing van Jesjoea de Messias , is deze ontmoeting tussen Jakob en Jozef, te zien als een voorafschaduwing van de uiteindelijke ontmoeting van heel het geslacht van Israël met de Messias. Uiteindelijk weet heel het volk Israël, voor wie het buigen moet.

Kees herinnert ons aan Jozef’s droom, waarin zelfs zijn vader Jakob voor hem zou buigen. Maar nu vliegt Josef Jakob ook om de hals. Ze zijn herenigt!

Jakob wordt hier dus gezien als Israël, ‘de vader van alle Israëlieten aller tijden’, die buigen zal voor Messias. Die zal zeggen: Gezegend die komt in de naam van JHWH.
Een prachtig beeld, waar we allemaal naar uitkijken.

Wie zijn Juda’s broeders in de vergelijking? 

Omdat Kees’ parasha deze week een vooral een beschouwing is, kunnen we nog meer ‘drasjen’ om nog meer te leren over deze hereniging.

Zoals we weten, kunnen Bijbelse figuren andere figuren typeren.
Josef zelf is wel de bekendste type voor Jesjoea.

Daarom kunnen we in de vader van Jozef (Jesjoea) – in Jakob dus – , behalve Israël, ook God, de Vader zien. Jakob was immers de vader van Josef, die Messias typeert.

Als Jakob als God gezien kan worden in de vergelijking, en Josef Messias is, doet dit de aandacht verschuiven naar de rollen van Juda en Benjamin en de andere broers.  

Jesjoea noemt ons broers. Welke broer van Jesjoea zouden wij mogelijk zijn in dit verhaal?

Spreuken leert ons dat het een eer is om verborgen zaken te doorgronden en we weten dat elk Schriftwoord tot lering dient. Misschien komen we erachter door te bekijken wat Juda aan zijn vader beloofde. Wat heeft het volk Juda (of Israël) aan Jakob, type van God, beloofd? 

De Borgstelling van Juda

Enkele parashot terug de borgstelling van Juda besproken.
Kees schreef eerder over het zich borg stellen:

“Niet alleen was Juda woordvoerder van zijn broers, hij was ook Benjamins borg. Toen de broers bij hun vader aan het pleiten waren om Benjamin mee te laten gaan naar Egypte was het Juda die zichzelf als borg voor Benjamins veiligheid aanbood.”

Kees zag daarin Messias’ rol. Ook hij stelde zich borg om de wereld te verzoenen.

Maar als we bij de vergelijking blijven dat Josef Messias is, dan zou Juda ook het huidige gewoon het huidige Juda kunnen representeren in de vergelijking. Kees zag dit ook alreeds.

Waarom was Juda dan borg voor Benjamin? En wie is Benjamin in de vergelijking?

Ik denk, en Kees is het hiermee eens, dat we in de borgstelling van Juda ook een deel van het geheimenis waar Romeinen elf over spreekt, terugvinden.
In deze borgstelling zit een deel van Gods grote Plan verborgen, die te maken heeft met twee broers: de verhouding tussen Joden en Christenen. 

Laten we de geschiedenis nog eens aandachtig bekijken. Juda stelde zich dus vrijwillig borg voor zijn jongere broer Benjamin:

Ge 43:8-9 En Juda zeide tot zijn vader Israel: Laat de jongen toch met mij meegaan; dan zullen wij ons gereed maken en op reis gaan, opdat wij in het leven mogen blijven en niet sterven, zowel wij als gij en onze kinderen. Ik blijf borg voor hem; van mijn hand moogt gij hem eisen; indien ik hem niet tot u breng en voor u stel, dan moge ik te allen tijde tegenover u als een schuldige staan.

Zoals Juda hier vrijwillig zich borg stelt voor zijn jongste broer, zo is Juda later ook vrijwillig het Verbond met Adonai JHWH aangegaan en stelde zich zo borg als een volk dat Messias zou voortbrengen.

Deze Messias zou op zijn beurt de wereld met God doen verzoenen. Vooral door de inspanningen van Adonai Jahweh is dit gelukt. Maar dit is God wel gelukt via een omweg. Hij gebruikte immers de ongehoorzaamheid van Juda om het evangelie van Jesjoea de wereld rond te laten gaan. Om uit volk hen te trekken, die Hem welgevallig zijn.

Evenzo eist Jakob – type van God – min of meer van zijn zoon Juda, dat hij Benjamin, zijn jongere broer, terug brengt bij hem (Jakob). Maar eerst moet hij langs Josef (Jesjoea).

Josef (oftewel Messias) gebruikt in Genesis als het ware de vrijwillige borgstelling van Juda, om Benjamin, zijn jongere broer, te zien te krijgen. Hij wilde dat Benjamin meekomt uit Kanaän…
Evenzo wilde God door Jesjoea de hele wereld met zich verzoenen..
Begint u dit beeld te zien?

Opnieuw Borgstelling 

Zou het kunnen, dat Juda zich – ondanks of juist dankzij dat enkelen Jesjoea overleverde – zich in zekere zin wéér borg stelde voor de rest van de wereld?

Jawel. Zo kon God door hun ongehoorzaamheid de rest van de wereld tot Messias leiden.

Juda, enigen van de Joden althans, doden Jesjoea indirect door hem over te leveren. Toch beloofden zij JHWH tot in eeuwigheid een lichtend volk te zijn, en zo alle volkeren tot God te leiden.
Evenzo moest Juda na zijn ‘moord’ op Josef, zich borg stellen voor zijn jongere broer, zodat hij bij Josef (Jesjoea) kon komen. Pas dan kon Juda herenigt worden met Josef (Jesjoea).

Ja, zij stelden zichzelf in zekere zin in verzekerde bewaring, waardoor de wereld verlost kon worden van de last der zonde.

Zij kozen vrijwillig om een gezalfd, ofwel Messiasvolk te zijn.
God verdroeg hun eigenaardigheden, en ging telkens met hen door.
En God gebruikte in Jesjoea’s dagen enkele verhardde harten om het heil van Messias tot in alle uithoeken van de wereld te dragen.

En als dit zo kan worden opgevat, zouden wij, vrijgekochten, dan de borgdrager niet eren? En ons over hen ontfermen door hen tot Messias te leiden, op een Torahgetrouwe wijze?

Ben ik in Gods plaats? – Afwending van zonde

Dit soort doorkijkjes leren ons om te verhouding Jood-Christen te begrijpen en om ons er in (zekere zin in) te berusten.

De vraag of zij schuldig zijn, of of wij Juda wel mogen liefhebben, als zij Jesjoea niet aannemen, en of zij wel aanvaard kunnen worden, als zij Messias nu niet aannemen, kunnen hiermee ook beantwoord worden.

Wat bedoel ik?
Jesjoea is door Juda overgeleverd. Dit gebeurde uit onkunde.
Hand. 3:17,18 zegt: En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; – “maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden”

Juda moest de Messias voortbrengen, tot heil van de wereld, en zij staan hier borg voor. Zelfs als ze dit niet weten of willen, voert God de uitkomst van deze belofte door.
Daarvoor manoeuvreerde God Juda in een positie waarin zij borg zou staan voor Benjamin (oftewel de Christenen). Hij gebruikt daarbij de vvrhardde harten van enkelen.
Dit doet hij door de Messias uit hun midden voort te brengen en hem tegen de wil van Juda te laten doden.
Zo kan Juda zijn broer Benjamin tot Jozef (Messias) brengen, voordat beiden weer bij de Vader (Jakob) thuiskomen. 
Beiden blijven dus in Vaders huis, Jood en Christen, zoals Genesis en de gelijkenis van de verloren zoon ons leert.
En Juda gaat uiteindelijk voorop richting Gosen, de beste streek, met Benjamin in zijn gevolg (Gen. 46:1).
Dus dit gebeurt pas als Benjamin meekomt, als de volheid der heidenen klaarstaat.
Tot die tijd staat Juda borg voor Gods verlossingsplan in Jesjoea; zonder het zelf te weten! 

Wanneer we dit geheimenis weer tot ons door laten dringen, vervagen de gedachten dus om Juda als volk te veroordelen over Jesjoea’s dood.
De Tora leert ons trouwens al dat ieder sterft om zijn eigen zonde.

Even tussendoor: Dat iemand niet tot Jesjoea komt in dit leven, maakt dat hij in dit leven niet behouden wordt. Jesjoea is daar een bezegeling van. Maar dit wil niet zeggen dat een Jood zonder het geloof in Messias niet aangenomen kan worden.
Ieder zal naar de Tora – die in ieders hart geschreven staat (Rom. 2) – geoordeeld worden naar de wet van liefde (Jakobus 2).
Helaas is het wel zo dat, als wij ‘ternauwernood gered’ zijn, het de vraag is hoe het met ongelovigen moet aflopen. De meesten wandelen namelijk in wetteloosheid.

Goed, terug naar Juda ten tijde van Jesjoea’s leven op aarde. Het moge duidelijk zijn dat Joden niet op Jesjoea’s bloed uitwaren. Wanneer er staat ‘de Joden zochten Jezus te doden’, dan bedoelt de grondtekst eigenlijk met ‘Joden’ de ‘machthebbers uit Juda’. Het volk liep met hem weg!

Ruben, die als oudste het geweten van Juda vertegenwoordigd, zei ook al in Gen. 42:22 –

Heb ik u niet gezegd: bezondigt u niet aan de knaap! Maar gij hebt niet geluisterd. Nu wordt zijn bloed van ons geeist.

Maar wat deed Jozef (beeld van Jesjoea) toen hij zijn broeders terugzag?

Ge 45:15 En hij kuste al zijn broeders hartelijk en weende, hen omhelzende.
Daarna eerst spraken zijn broeders met hem.

Het lijkt er dus op of ‘gans Israël’ (niet lett.) dus aangenomen wordt door Jesjoea, ook als gooiden zij (enkelen) Messias in de put.

Juda zal zich dan toch op de borst slaan, maar wanneer Jozefs broeders hem om vergiffenis vragen, moet Jozef wenen, omdat men ‘zo sprak’ (!)
Hij zegt: Gen 50:19 Maar Jozef zeide tot hen: Vreest niet, want ben ik in Gods plaats?

Het oordeel is dus altijd aan God!
Laten wij dit in onze oren knopen!

Geheimenis

Wat is dan het lot van Israël? In Romeinen 11:25-27 staat:

Ro 11:25 Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israel gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israel behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.

God lijkt hier duidelijk te zeggen dat hij de zonden zal wegnemen van Juda.

De gedeeltelijke verharding van Israël is onterecht, maar deze kwam wel voort uit onkunde. En het is die verharding die zorgt dat Jesjoea ‘vooruit gestuurd’ kan worden om de wereld te redden; Josef zegt:

Ge 45:5,7,8 Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden.
Daarom heeft God mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden.
Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God; Hij heeft mij gesteld tot Farao’s vader en tot heer over geheel zijn huis en tot heerser in het gehele land Egypte. 

Het kwaad het grotendeels corrupte Sanhedrin wordt dus eigenlijk door God ten goede aangewend om iemand voor Juda uit te sturen!
Ook Josef werd – ondanks en door middel van het kwaad – vooruit gestuurd!

Dit is het geheimenis waar Paulus in Romeinen 11 op doelt! Juda staat borg voor de aanneming van de wereld, en is daardoor zelf tijdelijk zonder ontferming!

Rom. 11: Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid, zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden. Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen. O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!

Maar het moest, want er komt geen Koninkrijk van God op aarde, zonder dat de volken met Juda optrekken, zoals blijkt uit de eerste regel van de Parasha.

Daarom moest Juda met zijn jongere broer Benjamin optrekken naar Jozef (Jesjoea). God wilde uit elk volk de mensen die Hem welgevallig zijn, zo betrekken bij Zijn komend Koninkrijk.

-Amen?

Christenen  schemeren vaak met liefde tot de vijand. Maar laten we eerst beginnen hen lief te hebben, die borg voor ons stond, zodat Messias, de echte borgstaander en middelaar, komen kon! Wij kregen door Messias alleen de Geest als onderpand, en zien uit naar de verlossing van ons lichaam. Tijdens ons korte leven moeten zijn wij Juda zegen verschuldigt, om ook niet zelf onder de vloek te komen.

Hartzeer

Paulus’ hartzeer over Israël moet dus de onze zijn. Ook Jozef (Jesjoea) en Jakob (de Vader) gaan dit zeer aan het hart.

We zien die hartzeer terug bij Jozef  (Jesjoea), die vaak moet huilen op het hof.
En bij Jakob (God, de Vader), die bij de hereniging verzucht:

Gen. 46:30 Toen zeide Israel tot Jozef: Nu kan ik sterven, nadat ik uw aangezicht gezien heb, omdat gij nog leeft.

– Dit lazen we in de parasha van vandaag. 

Job (Juda) vraagt op zijn beurt Iemand borg te staan

Tenslotte, omdat deze gang van zaken voor het volk Juda bepaalt niet makkelijk is, vraagt deze op zijn beurt aan God (!) om voor hén borg te staan, bij monde van Job:

Job 17:1-4 Mijn leven is verwoest, mijn dagen zijn uitgeblust, mij rest slechts het graf. Voorwaar, bespotting is mijn deel; mijn oog moet rusten op hun getwist. Stel U zelf als mijn borg bij U; wie anders zal voor mij handslag geven? Want hun hart hebt Gij gesloten voor inzicht; daarom zult gij hen niet laten zegepralen

Laten wij dus niet als de vrienden van Job zijn.

Ook voor God zijn deze dingen niet makkelijk (naar de mens gesproken).
Gelukkig zal Hij binnenkort alle vijanden van aan Zijn zoons voeten leggen.
Als het Koninkijk echt baan breekt, kunnen Vader en zoon elkaar pas echt omhelzen.

Laten we in gedachte houden dat Jakob altijd Jozefs dromen altijd in gedachte hield:

Ge 37:11 Zijn broeders dan benijden hem, maar zijn vader hield de zaak in gedachten.
Dit doet ons denken aan:
‘O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods’ (Rom. 11)

Zo had God van voorhand deze gang van zaken als Reddingplan ontworpen.

Daarom is Juda niet verantwoordelijk als geheel.
Toch vangen zij de klappen op en zijn zo als het ware een Messias-natie.

Zij staan borg voor de rest van de wereld, maar worden in hun lijden als een Job behandelt, zelfs door zijn vrienden. Dit mag niet zo zijn. 

Hereniging

Uit de hereniging blijkt dat Juda aangenomen zal worden, en uit de profetieën. Wanneer Jesjoea terugkomt, zullen maar weinige tegen het Godsbestuur in willen gaan. Zeker in Israël, waar de Messiasverwachting nog altijd veel groter is dan in veel landen, zal men en masse zich tot Jesjoea wenden.

Zoals in de vergelijking van de verloren zoon zijn wij beiden onder het dak van de Vader, beiden met een ring om. Beiden werken ook – Juda werkt hard buiten en houdt Torah, waar Christenen het veelal laten afweten – , maar wij hebben alvast deel aan een Feest (Als wij ook gehoorzaam zijn en blijven). En dit alles omdat Juda voor ons borg stond; hij bleef thuis bij Vader en bleef altijd hard werken buiten.

Het is verder opmerkelijk dat de broeders de eerste maal koren en geld meekregen, en de tweede maal een beker. Zou dit iets kunnen zeggen over respectievelijk het houden van de Tora ter gerechtigheid en het missen van de Nieuwe Verbondsbeker?
De Tora is als een schat (dubbel geld in de buidel) en het Vernieuwde Verbond werd ingeluid met een beker (beker in de buidel).

Zeventig zielen gaan uiteindelijk Egypte binnen, Messias tegemoet. Dit lijkt te verwijzen naar de volheid van alle gelovigen (ook uit de heidenen), met Juda voorop!

Ro 11:27-31 En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem. Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil. Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk. Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid, zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden. Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen. O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!

Yeshua de Messias is de belichaming van de Torah