JHWH Echad-Belijder – Broeder in Messias?

Introductie

Helaas weet ik van een volgeling van Messias die onlangs niet als broeder werd erkend door een Messiaanse Broederraad, omdat hij Jesjoea niet als (deel van) God belijdt.

In dit artikel zal ik bewijzen dat iemand wél in Messias is, wanneer hij Jesjoea als Messias erkent. Dit doe ik door de wedergeboorte te bespreken, naast titels als Verlosser en Heer – en dit laatste aan de hand van een artikel van de Broederraad. Ook bespreek ik of de identiteit van God wel een mysterie is

1. Broeders in Messias?

“Een ieder, die gelooft, dat Jezus de Messias is, is uit God geboren.”
(
1Jo 5:1a)

1.1. Wie is (g)een broeder?

De Apostolische Geschriften behandelen het onderwerp ‘wie is een broeder’ niet uitgebreid. Want het is duidelijk: een ieder die gelooft dat Jesjoea de Messias is, is uit God geboren (1Joh. 5:1a). Daarmee is een ieder die dit belijdt een broeder, tenzij hij Messias verloochent. Een broeder kan zich wel ongeregeld gedragen, zodat hij gemeden (1Kor 5:11) of zelfs uit de gemeente gestuurd moet worden. Maar of iemand ‘in Messias’ is, zal alleen Messias zelf (die oordeelt zoals de Vader het hem ingeeft, Joh. 5:30) bepalen.

Een broeder die belijdt dat Jahweh alléén de Ene is, kan hoogstens door anderen (zoals Ben Kok) een ‘valse leraar’ (2Pe 2:1) genoemd worden – iets waar de beschuldigers rekenschap van zullen moeten geven (Mt. 12:36; Jak. 3:10). Maar hij is daarmee niet een valse broeder of een helemaal geen broeder meer. Dat is iemand volgens Strong (5569) alleen het geval wanneer hij geen enkele kennis van het geloof, noch vroomheid heeft (Gal. 2:4). Maar iemand die Jesjoeaals Messias belijdt en hem door Gods woord en de Heilige Geest volgt, zal geen valse broeder heten.

1.2. Messiaanse Beweging: Terug naar de Tora?

Maar het niet erkend worden als broeder is niet het ergste wat kan gebeuren. De briljante theoloog en arts Servetus werd door Calvijn (16e eeuw) om zijn niet-trinitarische geloof levend verbrand. Sinds de vierde eeuw na Christus immers, zette de toenmalige ‘christelijke’ keizer – naast het verwerpen van de Tora – de doodstraf op het verwerpen van de Drie-eenheid.
Hoewel menig Messiaanse gemeente, waaronder ook deBroederraad in Nieuw-Lekkerland, deze Drie-eenheid vaarwel zei, plaatsen sommige gemeenten toch broeders die Jesjoea niet als God belijden buiten de gemeente, waardoor zij in zekere zin ‘aan de Satan overgeleverd’ worden (1 Kor. 5:5). De niet weinige Messiaanse Joden die blijven bij de eenvoud van het Shema worden hiermee ook verketterd.

De Messiaanse beweging ontdekte al dat de Tora nog blijkt te gelden. De discussie of Jesjoea wel God is, wordt echter op de meeste Messiaanse fora en in gemeenten vaak gemeden – of men voldoet met een bijzonder korte uiteenzetting als Bijbelstudie over dit toch essentiële onderwerp.

De meerderheid van de gelovigen binnen de Messiaanse kudde zullen zo’n uitstoting overtrokken vinden. Omwille van de Waarheid voel ik mij gedreven om een beknopt weerwoord te schrijven aan hen die in tel zijn in gemeentes – oudsten en voorgangers – om aan te geven waarom deze gelovigen toch zeker broeders mogen heten en dit ook zijn.

Laat ik – ten overvloede – opnieuw belijden dat ik Jesjoea als (onder andere) Messias, Zoon van God, Zoon des Mensen, Middelaar,Sjaliach, Grootste Profeet, Rabbi, de Laatste Adam, Here der Heren en Koning der Koningen belijd.

Mijn gebed is bij deze studie voor de lezer is: “Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis” (Eph 1:16-17).

2. De Heilige Geest zélf getuigt

Mijn eerste argument in deze is eenvoudig, maar valide: iemand die belijdt dat Jesjoea de Messias is, kan dit alleen van boven gegeven zijn, als gave van geloof door Gods heilige Geest. Met de openbaring van de Geest komt ook de belijdenis van Jesjoea als Messias en komt ook de Geest ter inwoning. Met die Geest wordt de Jesjoea-volger gedrenkt (1Kor 12:13). Daardoor weet iemand zelf het beste of hij opnieuw geboren is, terwijl ongelovigen dit niet kunnen beoordelen. Hiervan getuigen de verzen:

“Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is. Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld.” (1Co 2:14-15)

‘Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. (…), maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.” (Ro 8:14-16) (zie ook Gal. 4:61Joh. 3:24).’

Een volgeling van Jesjoea zal volmondig erkennen dat de Heilige Geest in hem ervan getuigt een kind van God te zijn. Je zou kunnen zeggen ‘We hold this truth to be self evident’ (deze waarheid is eigenlijk vanzelfsprekend). Dat er ondanks de leiding van God onder broeders verschillen in leer zijn, doet hier niet aan af. Of zou een voorganger die meent dat de Tora niet meer geldt daarmee geen broeder meer zijn? Hooguit zou hij – in zijn onwetendheid – een valse leer brengen, maar toch broeder blijven.

Broeders die Jesjoea niet als (deel van) God belijden, blijven bij de belijdenis van Kefa (Petrus): ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!’ (Mt 16:16-17). De Messias wordt zo geïdentificeerd als de Zoon van de levende God, en niet als God zelf. Jesjoea antwoordde hierop: “vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is”.

‘Al wie belijdt, dat Jezus de Zoon van God is; God blijft in hem en hij in God’ (1Joh. 4:15)

Door de komst van Gods Geest die woning maakt in de mens werd het Schriftwoord vervuld: “En zij zullen niet leren, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, zeggende: Ken den Heere; want zij zullen Mij allen kennen van den kleine onder hen tot den grote onder hen.” (Heb. 8:11)

Ten overvloede: Het belijden van Jesjoea als Messias duidt er al op dat iemand ‘opnieuw geboren’ is. Hierbij horen natuurlijk ook dewerken van de Geest. Wanneer dit aanwezig is bij een broeder, moet je hem wel liefhebben en erkennen als broeder. Hij is na erkenning van het evangelie ‘verzegeld met de Heilige Geest de belofte’ (Efe 1:13).

Met Sjaoel zeg ik dan: ‘en ik meen ook de Geest Gods te hebben’ (1Co 7:40b).

“Een ieder, die gelooft, dat Jezus de Christus is, is uit God geboren; en ieder, die Hem liefheeft, die deed geboren worden, heeft ookdegene lief, die uit Hem geboren is.” (1Joh. 5:1)

3. Jesjoea Messias: Middelaar, Verlosser – en …Heer!

Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God,en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt’ (Joh. 17:3).

De Broederraad zag in de titels ‘Verlosser’ en ‘Heer’ ook bewijzen dat Jesjoea (deel van) God moest zijn. Mijn tweede argument behandelt deze en andere titels van Jesjoea, ter bewijs dat deze aanduidingen Jesjoea de Messias niet tot God maken.

3.1 Messias

Sjaoel (Paulus) schreef: “Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd.” (1Co 2:2). De aangestelde sjaliach (apostel) beschrijft hier de hoofdzaak van het Evangelie. Dat is dat de identiteit van Messias bekend is geworden: Jesjoea van Nazareth, de Zoon van God! Over een veronderstelde goddelijkheid wordt ook hier echter niet gesproken…

Jesjoea is dé gezalfde (Messias). Hij kwam om de mensheid met God, de Vader, te verzoenen en is voor deze taak gezalfd/gewijd. Hij zal daarvoor hogepriester-koning zijn in het komende Vrederijk.

De apostelen bewezen uit de Schrift dat Jesjoea Messias is (Hand 18:28), niet dat hij God zou zijn.  Het erkennen van Jesjoea als Messias is in beginsel alles wat nodig is voor iemands behoud (al zullen ook niet-belijders door het Oordeel komen).

3.2 Middelaar

Als Messias vervult hij de middelaarsrol, waardoor hij de mensen met God verzoende. 1Tim 2:5 zegt duidelijk:
‘Want er is een God en ook een middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus’(1Ti 2:5).

Jesjoea moest als Middelaar optreden. Zo kunnen wij in Gods rechtseis voorzien:

“Want dat was voor de wet onmogelijk, doordat hij stukliep op de zwakheid van het vlees. Maar God heeft zijn eigen zoon gestuurd in de gedaante van door zonde overheerst vlees, en ter wille van zonde heeft hij in datzelfde vlees het oordeel over de zonde voltrokken, opdat aan de rechtseis van de Wet zou worden voldaan doordat we niet meer wandelen naar ons vlees maar naar de Geest.” (Ro 8:3-4NB)

Bij zijn intocht in Jeruzalem, vlak voor zijn dood, begreep de menigte het: zij riepen: ‘Hosanna! gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!” (Mr 11:9). Ja, Jesjoea kwam als Sjaliach (gevolmachtigde vertegenwoordiger) in de Naam van God. Dit betekent dat hij Jahweh, de Enige waarachtige God, vertegenwoordigde. Een gezondene  is alleen niet gelijk aan zijn zender… hij vertegenwoordigt deze.

Zoals God de Messias Jesjoea zond, zo worden wij ook door Messias gezonden. Jesjoea zend ons in zijn eigen naam. Dat betekent dat we hem op aarde vertegenwoordigen en in zijn naam authoriteit uitoefenen. Dit maakt ons één met Jesjoea, zoals Jesjoea één met de Vader is (Joh17).

3.3 Verlosser

Als Messias en Middelaar is Jesjoea ook Verlosser. De genoemde Broederraad kent aan deze laatste term veel gewicht toe. In een (zeer kort) document, genaamd ‘de goddelijkheid van Yeshua [i]’ wordt gesteld dat de vraag wie Verlosser is, direct samenhangt met de (veronderstelde) goddelijkheid van Jesjoea.

De redenering die zij volgen is dat omdat Jahweh de enige (ware) Verlosser is, en Jesjoea ook verlosser genoemd wordt, Jesjoea wel God moet zijn. De titel van verlosser komt Jesjoea zeker toe en wordt dan ook vaak in de Apostolische Geschriften gebruikt. Toch, Jesjoea is verlosser onder God, buiten wie geen Verlosser is (Jes. 43:11).  De titel van Verlosser maakt Jesjoea nog geen (deel van) God, omdat meerdere personen in de Bijbel, zoals sommige richteren (Ri 3:9) ook deze titel dragen. Het wordt nog duidelijk als wij de betekenis van de naam Jesjoea in gedachte houden, welke is:Jahweh redt. Jesjoea’s naam verwijst dan toch weer naar de Vader, buiten wie geen Verlosser (Redder) is; die de Enige ware Verlosser is.

In het document wordt ook gesteld dat geen mens ons kan loskopen van en verlossen van het dodenrijk (Psalm 49:815). Omdat geen mens zou kunnen verlossen van de dood, moet Messias wel God zijn – zo luidt dan de redenatie. Maar met dezelfde gedachtegang zou Jesjoea leugenachtig moeten zijn, omdat de Tenach zegt: ‘ieder mens [is] leugenachtig’ (Ps. 116:11). Jesjoea was echter verre van leugenachtig: hij was geheel zonder zonde. Hoe zit het dan?

Wel, het antwoord ligt in Romeinen 5 en 1Kor 15, waarin Jesjoea de ‘laatste Adam’ wordt genoemd. Wij zijn geen mensen zoals de eerste en de laatste Adam waren. Laat mij dit verhelderen: Wij kunnen niet zonder zonde leven of andere mensen hun zonde (namens God) vergeven. Adam en Jesjoea konden echter wel zonder zonde leven en de laatste kreeg van God de macht om zonden te vergeven. Zo zijn Adam en Jesjoea zijn de oorspronkelijke type mens, die zonder zonde konden leven. Beiden werden immers door God zelf tot aanzijn geroepen.

Maar hoewel de eerste mens (Adam) in het paradijs ongehoorzaam bleek aan de Vader, zo gelukte dit de ‘laatste mens’, zij het onder verzoekingen, wel. Jesjoea zondigde dus nooit en bleek zo een ‘waar mens’ te zijn, zoals God met Adam al bedoeld had. Zo kon een mens, geboren uit God, de vicieuze circel na Adam, waardoor eenieder in zijn zonde stierf, verbreken – en middelaar en hogepriester worden.

Ro 5:19  Want zoals door de ongehoorzaamheid van die ene mens die velen tot zondaars zijn gemaakt, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van die ene de velen tot rechtvaardigen worden gemaakt. (NKJV heeft ‘die ene mens).

Messias Jesjoea zal als Verlosser (onder Jahweh God) een totaalvrede op aarde verwezenlijken en zo Gods Koninkrijk op aarde vestigen, zodat Gods wil regeert door Zijn zoon Jesjoea. Dit brengt ons op de volgende titel, die van Heer.

3.4 Heer

3.4.1. Jesjoea is Heer

“U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad van David.” (Lu 2:11)

De Broederraad in kwestie had als eis voor hun Messiaanse belijdenis dat Jesjoea als ‘Heer’ beleden diende te worden, waarbij ‘Heer’ de betekenis moest hebben van ‘God’. Dit meenden zij op basis van teksten als: ‘en dat niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de Heilige Geest.” (1Co 12:3b). Zij begrepen deze tekst zo dat deze zei dat je de Geest niet ontvangen kan hebben, als je niet gelooft dat Jezus God is.

Maar deze overtuiging berust op een misverstand. Al eerder toonde ik aan dat op het geloof in Jesjoea als Messias de inwoning van de Geest tot stand komt. Maar hoe zit het dan met dit woord ‘Heer’? Dat God en Jesjoea beiden ‘Heer’ genoemd worden in de Apostolische Geschriften is wel wat verwarrend. Hierover straks meer.

Maar het gezond verstand leert al dat een Heer iemand is die heerst over anderen. Aan deze beschrijving voldoet Jesjoea vanzelfsprekend, omdat hij alle macht op hemel en aarde gekregen heeft. Hij is en wordt dus aller Heer, alleen belijden wij volgelingen van Messias dit nu al blijmoedig: wij volgen hem als ‘slaven’, hoewel wij ‘als koningen met hem zullen heersen’ (2Tim 2:12). Hij wacht alleen aan de Rechterhand van God totdat zijn Vader al zijn vijanden aan zijn voeten gezet heeft. Dan, als Messias terugkeert op de wolken, zal hij ‘Here der Heren’ en ‘Koning der Koningen’ worden – Heer en Koning over alle aardse heren en koningen.

Dat hij Heer over alle heren wordt, leert ons al dat de titel ‘heer’ (net als ‘god’) de drager van de titel niet gelijksteld aan de enige waarachtige God, de Heer Jahweh. De Bijbel leert dat er andere heren buiten de Heer Jesjoea en de Here God is.

Nu, de Bijbel leert dat de Heerschap van Jesjoea vooral het heersen en overwinnen impliceert:

‘welke te zijner tijd de zalige en enige Heerser zal doen aanschouwen, de Koning der koningen en de Here der Heren’ (1Tim. 6:15)
‘Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, maar het Lam zal henoverwinnen (want Hij is de Here der heren en de Koning der koningen) en zij, die met Hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en gelovigen’ (Re 17:14).

Jesjoea kwam om uiteindelijk op aarde te regeren: ‘Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven’ (Lucas 1:32).
In Gods Koninkrijk zal iedere knie zich voor God buigen (Jes 45:23), omdat zij buigen voor zijn vertegenwoordiger Jesjoea, de Zoon van God, die (tijdelijk, 1Co 15:24) alle macht is gegeven op hemel en aarde (Mt. 28:18).

Dat Jesjoea ‘Heer’ genoemd wordt, doelt dus niet in het minst op een goddelijke titel, zoveel mag duidelijk zijn.

3.4.2. Jesjoea HaAdon

Wellicht bent u inmiddels benieuwd geworden naar de grondtekst achter dit woord ‘Heer’. In het Grieks is dit kurios (Strong 2962). Strong en bijvoorbeeld het Jewish New Testament (D. Stern) maken ook inzichtelijk dat dit woord niet uitsluitend voor Vader God gebruikt wordt (zie Mt. 1:20N, Stern). Het woord ‘Here’ is niet een titel die alleen Jahweh, de Enige waarachtige God, toekomt.

Een gewone huiseigenaar wordt in de Apostolische Geschriften (‘NT’) ook heer (kurios) genoemd, zoals in Mk 14:14. Ook Sarah noemde haar man ‘heer’ (1Pe 3:6). Ook dit bewijst al dat het noemen van Jesjoea als Heer niet zonder meer betekent dat de eerste gelovigen hem als God belijdden. Voor de onoplettende lezer gaat dit onderscheid verloren in het Grieks, waarin zowel God als Jezus ‘Heer’ (of een afleiding hiervan) genoemd wordt! Als de Apostolische Geschriften inderdaad in het Hebreeuws zijn geschreven, dan was dit onderscheid duidelijker geweest.

Het Hebreeuws uit de Tenach maakt dit onderscheid gelukkig wel. Hier wordt alleen voor de HEERE God ‘Adonai’ (Jahweh) gebruikt, en voor Heren (Messias voorop) ‘Adon’. In de Nederlandse vertalingen zien we dit meestal terug door het gebruik van hoofdletters in de Godsnaam.

Gij noemt Mij Meester (Rabbi) en Here, en gij zegt dat terecht, want Ik ben[ii] het (Joh 13:13).

Jesjoea is onze heer, en na deze uitspraak legt hij uit dat hij als een heer/zender is – en wij, zijn volgelingen als slaven/gezanten (Joh13). Hierin wordt de notie van zijn heer-zijn duidelijk, namelijk dat wij Jesjoea als Heer in alles gehoorzamen. Hij is ‘aller Heer’ (Hand. 10:36).

Maar hij zal ook ‘aller Heer’ worden, omdat hij als Heer ooit over de aarde zal regeren: “Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is; Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.” (Php 2:9-11)

Jesjoea is dus onze Heer (Adon) onder de Enige Heer (Adonai), Jahweh, de Almachtige.

Ten slotte: Hoewel volgens de Broederraad sommige Romeinse keizers zich ‘Heer’ in de betekenis van ‘God’ hebben willen noemen, mag hier voor de belijdenis van de eerste gemeente niet teveel gewicht worden toegekend, als zouden zij – uitgaande van wat de keizer zei – Jesjoea alleen als ‘Heer’ (in de zin van God) willen belijden. Nee, de eerste gelovigen waren zo gekneed in de Hebreeuwse Schrift, dat zij titels kozen die hierin duidelijk naar voren kwamen, los van wat wereldse leiders zeiden of wilden.

3.4.3. Psalm 110

Naardense Bijbel: “Tijding van de ENE aan mijn heer: zet je aan mijn réchterhánd,  –– tot ik je vijanden heb gezet als bánk ondér je vóeten! (PS. 110:1).

Om dit onderwerp af te sluiten is het wellicht goed om Ps. 110 nog te behandelen. Deze kerntekst wordt het meest aangehaald in de Apostolische Geschriften en is dus cruciaal voor een rechte kennis van God! Deze Psalm wordt bijvoorbeeld in Mk12 aangehaald, net nadat Jesjoea het Shema (JHWH is één) bevestigde.

In deze Psalm staat dat Adonai (Adonai Jahweh, de HEERE) iets zegt tot de Heer van David (‘Adoni’, mijn Heer). Jahweh zegt dus iets tot de Heer van David (dat is Messias, Lu 20:41). God zegt dat Adon Jesjoea ooit aan Zijn Rechterhand zal komen te zitten. Bekijkhier zelf de grondtekst.

In de Tenach is het dus volstrekt duidelijk dat er een onderscheid is tussen de Heer Jahweh (Adonai Jahweh) en de Heer Jesjoea (Adon Jesjoea). ’Adonai’ wordt ook enkel gebruikt voor God, dat is: de Vader.

Merk ook op dat David Messias ‘Mijn Heer’ en niet ‘de (enige) Heer’ noemt. Begrijpt u dat Jesjoea en Jahweh niet dezelfde ‘essentie’ of persoon kunnen zijn?

4. God is geen mysterie voor ons

‘In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard’ (Mt 11:25).

4.1. Openbaar voor kinderen

Een derde argument is dat de Hebreeuwse Bijbel en de Apostolische Geschriften wél duidelijk maken wie God is, anders dan de Broederraad beweerde. De Tenach maakt het heel duidelijk Wie de Enige God is. Helaas accepteren vele christenen de valse leer dat de Bijbel dit essentiële Godsbegrip niet absoluut duidelijk zou maken.

Ook de Broederraad bepleitte dus dat de Schrift niet duidelijk maakt hoe het precies zit tussen de veronderstelde ‘eenheid van wezen’ tussen Jesjoea en God, en dat de identiteit van God een mysterie blijft. Zij haalden daarvoor een Bijbelleraar (Lars Enerson) aan die schrijft:

‘Is dit een geheimenis? Absoluut! Het is net zo min mogelijk om de Drie-eenheid van God te verklaren als om te proberen uit te leggen hoe de mens bestaat uit geest, ziel en lichaam. We kunnen alleen het feit accepteren dat het zo is. Er is wel gezegd: ‘Als je probeert de Drie-eenheid uit te leggen, dan raak je je verstand kwijt. Als je het ontkent, dan raak je je redding kwijt’. Er ligt een zekere waarheid in die uitspraak. Het is gevaarlijk om de leer van de Drie-eenheid te ontkennen en ook om te proberen om dit te begrijpen, aangezien de Schriften dit nooit doen. (L. Enerson, De Steen des Aanstoots).

De auteur erkent enerzijds dat een Drie-eenheid (en daarmee de vergoddelijking van Jesjoea) niet door de Schrift ‘begrepen’ (uitgelegd) wordt. Maar anderzijds moet je hier volgens Bijbelleraren in geloven, wil je je redding niet verliezen.

Dit soort uitspraken stroken niet met het allerheiligst geloof dat ons eens is overgeleverd. Wie God is, is eenvoudig uit te leggen: Het Shema leert dat alleen Jahweh, de Vader, God is. Mensen die anders beweren, dwalen zeer en dreigen met het verlies van hun verstand (bij een onmogelijke uitleg van een ‘Drie-Eenheid’, vlg. Enerson) ook hun geloofwaardigheid als Bijbelleraar te verliezen, daar zij een deel van het grootste gebod (Mk12) verkeerd leren aan de mensen.

(Overigens bestaat een mens niet uit lichaam, ziel en geest, zoals Enerson hier beweert, maar is hij ‘een levende ziel’ (Gen 2:7, SV).

Het (Messiaans) Jodendom is geen mysteriegodsdienst. De notie van ‘God als mysterie’ staat los van het kernachtige geloof dat ooit de heiligen overgeleverd is. Adonai Jahweh maakte volstrekt duidelijk dat Hij de enige waarachtige God is die als zodanig erkent moet worden:

‘Hoor, Israël!– de ENE is onze God, de ENE alleen! (NB)

‘Want dit gebod, dat ik u heden opleg, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg’.Als het niet te moeilijk is om te volbrengen om alleen God de ware aanbidding te geven, dan moet Jah’s Woord duidelijk maken wie God is, wat het ook zeker doet.

Gek genoeg gelooft de genoemde Broederraad zelf dus niet in een Drie-Eenheid, zoals dit ook in het boek ‘Weg uit Babylon’ naar voren komt. De voorganger bevestigde dit. Ook als gemeenten begrijpen dat de Heilige Geest geen persoon kan zijn, blijven zij vaak bij de vergoddelijking van Jesjoea, omdat hen onder andere een goed begrip van het Bijbelse concept van voorbestaan ontbreekt.

4.2 Weg uit Babylon?

In het boek ‘Weg uit Babylon’ komt voorganger Wim Verwoerd heel dicht bij de ontmaskering dat een vergoddelijking van Jesjoea voortkomt uit heidense invloeden. Deze werd immers door keizer Constantijn ingesteld nadat eerder de Geest al werd vergoddelijkt. De keizer deed dit om het christendom tot staatsreligie te kunnen maken; hiervoor was een vermenging nodig van heidense godsdiensten, die meestal uit een Drie-eenheid bestonden en waarbij de vermenselijking van Goden essentieel was.

Dit laatste blijkt onder andere uit Hand14, waarin Sjaoel als Zeus aangezien werd, waarop de scharen zeiden: ‘De goden zijn, in mensengedaante, tot ons neergedaald’ (Ac 14:11c). Dit volksgeloof was zo diametraal gekeerd tegen het Bijbelse/Hebreeuwse godsbegrip, dat de apostelen direct hun kleren scheurde. Zij wezen de ongelovigen op de levende God, Jahweh, de Enige Waarachtige.

Toch blijft broeder Wim Verwoerd tot dusver bij een vergoddelijking van Jesjoea, ook nadat hij zelf in Weg uit Babylon schreef:

‘Het oude Babylon was zelf de bakermat van alle gruwelen van de aarde, zoals bovenstaande Bijbeltekst ons uitlegt: Zij is de moeder, of voortbrengster, van alle afgodische vereringen. Dit Babylonische sgodsdienstige systeem is de oorsprong van alle valse religies.Johannes ziet dat de vrouw hier helemaal mee besmet is. Het aloude Babylonische systeem is via het Romeinse rijk de afvallige kerk binnen gedrongen. De vrouw, die dronken is van het bloed, is in werkelijkheid een voortzetting van het aloude religieuze Babylon, vandaar de naam op haar voorhoofd’ (pg. 126-127).

‘Overal onder de volken kom je, in verschillende namen, een eredienst tegen, die als kern heeft het aanbidden van ‘moeder en kind’ en de zonnegod Baäl. In Egypte, bijvoorbeeld, kom je dit tegen in de verering van de zon Osiris en van de moeder Isis en kind Horus.’ – bespreking van de Egyptische drie-eenheid (pg. 130).

‘Het is ongelofelijk hoeveel Babylonische afgoderij is vermengd met het christendom in de Roomse kerk.’ (pg. 132).

De Messiaanse beweging (op een vijftal gemeenten na) moet gaan inzien dat zij op het punt van het grootste gebod nog zeer ernstig dwaalt en zich in diep in Babylon begeeft.

4. Nawoord

Voor de eerste gemeente – ijveraars van de Tora – stond het Hebreeuwse godsbegrip – dat alleen de Vader God is – nog steeds overeind. Al uit Markus 12:32 blijkt dat de Schriftgeleerde en Jesjoea hetzelfde Hebreeuwse Godsbegrip hadden: ‘Meester, Gij hebt wel in der waarheid  gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij’ (NB).

Jesjoea zijn eigen uitspraken zijn vaak gelijkenissen die niet goed geïnterpreteerd zijn. Zo is hij weliswaar één met God, maar hij wenst ons diezelfde eenheid toe (zie Joh17). Het belijden van een ander persoon dan Jahweh als God is volgens mijn stellige overtuiging een van de grootste zonden die beschreven staan in Gods Woord. De Tenach leert ons dat God alomtegenwoordig, alwetend en almachtig is; eigenschappen waarin Hij onveranderlijk is en die Jesjoea niet toekomen.

Ik moedig de lezer aan de leer van de vergoddelijking van Jesjoea (opnieuw) te toetsen. Een goed begin vormt dit e-book (ook als luisterboek beschikbaar).  Al te snel zou er volgens Sjaoel een andere Jezus worden gepredikt. Deze leer volgt het grootste struikelblok voor Joden (en Moslims) om Jesjoea aan te nemen, omdat het niet strookt met de goddelijke openbaring van de Tenach, de basis van het allerheiligst geloof.

5. Toevoeging: overgegeven uit Godslaster?

In het boekje van L. Enerson dat de Broederraad verstrekte, werd ook gesteld dat Jesjoea bij zijn schijnproces duidelijk gemaakt zou hebben dat hij God was. Een korte bespreking.

De Raad had Messias van godslaster beschuldigd, maar pas nadat men hem door vele valse getuigenissen had proberen te veroordelen. Want eigenlijk werd hij om het ‘afbreken van Gods tempel’ veroordeeld. Pas toen Jesjoea volhield dat hij Messias was, de Zoon van God, die heersen zal, kwamen zij met de aanklacht van Godslaster.

Dit showproces eindigt met wat de kern van de zaak was: de nijd van Raad en overpriesters. Zij vroegen hem op de man af of hij de Messias, de Zoon van God was, wat hij beaamde. Hij antwoordde dat hij aan de rechterhand van God zal zitten, tot hij op de wolken kan nederdalen om op aarde te regeren (Mk14). Dit werd door de hogepriester godslasterlijk genoemd. Niet omdat ze dachten dat dit onmogelijk was (want dit stond geprofeteerd in Ps110), maar omdat zij hem uit nijd overleverde (Mt 26:18 STV) en een voorwendsel zochten voor zijn dood.

Jesjoea beaamde dat hij de Zoon des Mensen (en daarmee niet God zelf) was, maar dat hij wel aan Gods rechterhand zou wachten. Jesjoea is door Gods rechterhand verhoogd (Hand. 2:33), maar zal nu voor God als ‘een rechterhand’ worden.

Jesjoea beaamt dus dat hij na zijn verheerlijking nog steeds de ‘Zoon des Mensen’ of ‘Mensenzoon’ is, een titel die erop duidt dat hij een (verheerlijkt) mens blijft, en niet God (vgl. ‘Mensenzoon’ in Dan. 7:13).

[i] De Broederaad noemt in het document overigens vier verzen uit de Apostolische Geschriften die zouden bevestigen dat Jesjoea God is en ook Jesjoea zou dit bevestig hebben. Elk van deze verzen kan gemakkelijk weerlegd worden. Bekijk hiervoor deze pagina van Biblical Unitarian (Engels).

[ii] Mensen die leren dat Messias God is, zullen de laatste woorden van deze zin (‘ik ben’) ten onrechte met de naam van God (‘Ik zal zijn die Ik zijn zal’) verbinden. Dit gaat tegen alle logica in, want ook andere personen in de Apostolische Geschriften gebruiken deze term. Bovendien is de naam ‘Ik ben’ in de tekst ‘gelegd’ door de vertalers in het volgende vers, waar voor ‘Ik ben’ gewoon de Godsnaam Jahweh staat! ‘Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israelieten zeggen: Ik benheeft mij tot u gezonden’ (Ex 3:14).

Yeshua de Messias is de belichaming van de Torah