Israël’s verdedigingsleger : Disproportioneel geweld?

Copyright IDF

Lees onder deze woorden van Adonai JHWH een stuk over de Gaza-oorlog.

Wanneer gij dan vlak voor de strijd staat, moet een priester naar voren treden, het volk toespreken en zeggen: Hoor, Israël! Gij staat thans vlak voor de strijd tegen uw vijanden; laat uw hart niet week worden, vreest niet, wordt niet angstig en siddert niet voor hen, want de JHWH, uw God, is het, die met u gaat om voor u te strijden tegen uw vijanden, ten einde u de overwinning te geven. (D’varim 20)

Hans Knoop: Israël, van Lieveling tot Paria?

“In de beoordeling van de wijze waarop de Gaza-oorlog werd gevoerd door Goldstone en de media kwam nog een onderwerp nauwelijks aan de orde: de aanleiding tot de oorlog. Na acht jaar van raketaanvallen op Israëlische grensplaatsen als Sederot en na vele waarschuwingen van Israëlische zij besloot de toenmalige regering-Olert een einde aan de beschietingen te maken.  (…) In de media waren de raketbeschietingen nauwelijks het vermelden waard (…).

In de media en in de politiek werd vanaf de eerste dag van de Gaza-oorlog ach en wee geklaagd over het feit dat Israël ‘disproportioneel’ geweld zou gebruiken: vliegtuigen, tanks, helikopters, enzovoort, en dat alles tegen nauwelijks bewapende strijders van Hamas. Dat was een apert onjuiste voorstelling van zaken. Hamas voerde een stadsoorlog tegen Israël. Het beschikte over enorme hoeveelheden handvuurwapens en mortieren. elke oorlog tussen een regulier leger en terroristen/vrijheidsstrijders is disproportioneel als je de manschappen en het personeel tegenover elkaar zet.

Evenmin kan men aantonen dat de oorlog disproportioneel was op basis van het aantal slachtoffers aan beide kanten. Dertienhonderd slachtoffers aan de kant van Hamas, van wie meer dan de helft strijders, tegenover dertien aan Israëlische kant. Wat is proportioneel? Proportioneel zou het zijn als voor elke raket die Hamas gedurende acht jaar op een Israëlisch burgerdoel heeft afgeschoten, Israël datzelfde zou doen op een burgerdoel aan Hamaszijde.

In de int. aanvaarde rules of engagement, die ook zijn vastgelegd in verdragen en conventies, wordt proportionaliteit niet gemeten op basis van het aantal slachtoffers over en weer, maar op basis van de inzet van materiaal en middelen. Kort door de bocht: het schieten met zware artillerie op enkele oproerkraaiers die zich in een appartementencomplex te midden van honderden burgers hebben verschanst, is volgens het gangbare oorlogsrecht disproportioneel. Daarvoor dienen door het reguliere leger lichtere wapens te worden ingezet, om daarmee zogeheten colleteral damage te voorkomen. Men schiet niet met een kanon op een mug.

Alleen al uit het zeer beperkte aantal burgerslachtoffers dat in de Gaza-oorlog werd gemaakt, valt ad te leiden dat het verwijt dat Israël disproportioneel geweld zou hebben gebruikt, volstrekte onzin is. In plaats van enkele honderden zouden er dan vele duizenden doden zijn gevallen. Binnen de context van het geweld dat in het Midden-Oosten tegen de burgers wordt gebruikt, is Israël in Gaza op extreem beheerste wijze te werk gegaan.

Dat alles neemt niet weg dat er ook inde terechte en beheerste Gaza-oorlog ernstige fouten zijn gemaakt en ongetwijfeld onschuldige slachtoffers zijn gevallen. niet voor niets kwam na de oorlog de ethische commissie van het Isra:elische leger weer bijeen om de ethische code waaraan iedere Israëlische militatir gehoduen is aan te scherpen en op sommige onderdelen zelfs grondig te herformuleren.

Die commissie bestaat uit gerenommeerde filosofen en ethici, die voor het leger vuistregels formuleren ove rde manier waarop men zich ten tijde van een militaire operatie moet gedragen. Israël claim op basis van deze code het meest morele leger ter wereld te hebben. (…)

Volgens een van de auteurs van de ethische code, prof. Asa Kasher van de Universiteit van Tel Aviv, is het Israëlische leger het enige leger ter wereld dat de ‘heiligheid en onaantastbaarheid’ van het menselijke leven erkent en eerbiedigt. Let wel: van elk menselijk leven, dus ook van dat van de vijand.

(pg. 200-202)