Hebr. 1:8 – Maar van de Zoon: Uw troon o God

Hebr. 1:8
“En van de engelen zegt Hij: (…) Maar van de Zoon: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid en de scepter der rechtmatigheid is de scepter van zijn koningschap.” (NBG, Heb. 1:7a,8)

Vertaald artikel (bron)


1. Het Engels (en Nederlands) maakt een duidelijk onderscheid tussen “God” en “god.” Daarom wordt de Hemelse Vader in Engelse Bijbels “God” genoemd, terwijl lagere godheden, mensen op aarde die op gezag van God handelen en belangrijke mensen zoals koningen, ook “god” worden genoemd (2 Kor 4:4, Joh. 10:34 en 35, Hand. 12:22).  Hebreeuwse en Aramese talen maken echter niet het onderscheid tussen “God” en “god”. Omdat het Hebreeuws en Aramees alleen hoofdletters kennen, wordt het woord telkens als “GOD” weergegeven. Bovendien werden ook in de vroege Griekse manuscripten alleen hoofdletters gebruikt (al heeft het ook kleine letters). Dit was namelijk toen gebruikelijk bij manuscripten. Geleerden noemen deze manuscripten “uncialen”, en die stijl was populair tot in ongeveer de vroege negende eeuw, toen een kleiner schrift is ontwikkeld voor boeken. [1] 

Aangezien alle teksten in hoofdletters waren, zouden wij bij Genesis 1:1 en 2, zoals deze voorkomt in de Hebreeuwse manuscripten, het volgende lezen:

IN DEN BEGINNE SCHIEP GOD DE HEMEL EN DE AARDE. DE AARDE NU WAS WOEST EN LEDIG, EN DUISTERNIS LAG OP DE VLOED, EN DE GEEST GODS ZWEEFDE OVER DE WATEREN.

Daar komt nog bij dat Bijbelstudenten ervan bewust moeten zijn dat er zowel in de Hebreeuwse als in de Griekse manuscripten geen spaties voorkwamen tussen de woorden, en ook geen leestekens. Ook bestond er geen hoofdstuk- en versvermelding. De originele teksten van zowel het Oude als het Nieuwe Testament bestond dus uit hoofdletters die aaneen gerijgd waren, en dit zag er zo uit:

INDENBEGINNESCHIEPGODDEHEMELENDEAARDE. DEAARDENUWASWOESTENLEDIG,ENDUISTERNIS LAGOPDEVLOED,ENDEGEESTGODSZWEEFDEOVERDEWATEREN.

De hele Bijbel werd natuurlijk met de hand geschreven op deze wijze, met elke letter in hoofdletters en geen spaties tussen woorden. Zoals u zich kunt voorstellen, maakte dit het lezen erg moeilijk, en daarom was het gebruikelijk om hardop te lezen, zelfs wanneer men voor zichzelf las, om het gemakkelijker te maken. Dat is de reden waarom Fillipus de Evangelist de Ethiopische kamerling de boekrol van Jesaja hoorde lezen (Hand. 8:30). Zo’n tekst is moeilijk te lezen en men geeft er haast onmogelijk les uit; stel je voor dat je niet naar een versnummer zou kunnen verwijzen. Daarom kwamen onderverdelingen in de tekst als snel voor. Omdat Schriftgeleerden echter ver uit elkaar woonden en manuscripten met de hand gekopieerde, waren manuscripten niet uniform. De eerste gestandaardiseerde verdeling van verzen ontstond rond 900 na Christus. En de moderne verdeling in hoofdstukken werd gemaakt in de 13e eeuw.

Het zou nu heel duidelijk moeten zijn dat er gewoon geen manier was om onderscheid te maken tussen “God” en “god” in de vroege teksten, en daarom moet dit altijd worden bepaald uit de context; of het woord “God” al dan niet verwijst naar de Vader. Hoewel het gebruikelijk was dat de aanwezigheid van het bepaald lidwoord in de Griekse tekst de lezer erop moest attenderen dat de “GOD” waarnaar verwezen werd, de Vader was, ging dit niet altijd op (zie de (Engelse) toelichting op (Joh. 10:33). Zo heeft in 2 Kor. 4:4, het woord “theos ” een bepaald lidwoord, hoewel dit vers naar de duivel verwijst. De context moet dus altijd bepalen of theos vertaald moet worden met “God” of “god”.

2. De Semitische talen, en zowel het Latijn als het Grieks dat gesproken werd door de eerste volgelingen van Messias, gebruikte het woord “God” breder dan wij vandaag doen. “God” was een beschrijvende titel, die toegepast werd op verschillende autoriteiten, met inbegrip van vooraanstaande mensen, leiders en hen die handelende met Gods gezag. In Joh. 10:33, toen sommige Joden Jesjoea confronteerden en zeiden dat hij beweerde “een god” te zijn (verkeerd vertaald in de meeste vertalingen als “God”), antwoordde hij hen met een vraag. Hij vroeg hen of ze niet in de Tenach hadden gelezen dat de mensen tot wie het Woord van God kwam, “GODEN” werden genoemd (en we maken hier gebruik van hoofdletters, omdat de vroegste teksten dit deden. Het blijkt lastig het huidige begrip van de term ‘God’ los te laten, als zou deze alleen verwijzen naar de Ware God en dat “goden” alleen gebruikt zou worden voor lagere godheden).

Elke studie van de woorden voor “God” in het Hebreeuws en het Grieks zal laten zien dat deze zowel werden toegepast op mensen als op God. Dit is ons tegenwoordig vreemd, omdat wij van de term “God” alleen gebruik maken bij verwijzing naar de ware God, maar zowel het Hebreeuws als het Grieks gebruikt “God” voor zowel God, als vooraanstaande mannen, andere goden, engelen en goddelijke wezens. Het is de context die bepaalt of er naar ‘God’ of een vooraanstaand persoon verwezen wordt. 

Dit is dan ook een oorzaak van enige onenigheid tussen vertalers: ze betwisten of “GOD” verwijst naar God, de Vader, of naar een machtig persoon of vertegenwoordiger van God. Een voorbeeld hiervan is Exodus 21:6, waarin een meester wordt opgedragen zijn knecht naar ‘de goden’ (Elohim) te brengen.

“De SV, de NBG en vele anderen vertalingen zijn van mening dat de eigenaar de knecht naar de lokale overheden moet brengen, en daarom vertalen zij Elohim als “rechters” (zie ook Ex. 22:8 en 9 voor meer voorbeelden). In Nederlandse vertalingen houdt men het vaak op “goden”. Andere vertalers waren van mening dat de meester naar God moest gaan, zodat ze Elohim vertaalden als ‘God’. (De Nederlandse NBV heeft “heiligdom”, waarmee het ook naar God verwijst.) Dit onderscheid maakt dat het vers als “God” of “rechters” gelezen wordt, afhankelijk van de vertaling.

Hebr. 1:8 is net als sommige soortgelijke verzen; alleen omdat het woord “theos ” (“God”) wordt gebruikt, betekend nog niet dat het verwijst naar de Vader. Het kan gemakkelijk verwijzen naar “god” in de Bijbelse zin, wanneer machtige mannen “god” worden genoemd.

De Septuagint gebruikt het woord theos voor God, maar ook voor mannen in plaatsen zoals Psalm 82, waar mannen God vertegenwoordigen. De context moet de bepalende factor zijn bij de beslissing waar “GOD” naar verwijst. In dit geval, in Hebreeën, is de context duidelijk. Vanaf het begin van Hebreeën, wordt Christus gezien als ‘minder’ dan God de Vader. Daarom moet “theos” hier vertaald worden met “god”.

3. De context moet bepalen of Christus wordt aangeduid als het Opperwezen of als gewoon een man met groot gezag, daarom moet deze zorgvuldig worden gelezen. In dit geval stuit men echter al snel op het feit dat Christus, de zogenaamde ‘God’, zelf een “God” heeft. Het volgende vers, Heb. 1:9b, heeft: “daarom heeft U, o God, uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw deelgenoten”. Dus kan Christus niet de allerhoogste God zijn, want de allerhoogste God heeft geen God.

Bovendien plaatste Christus zijn God hem boven anderen en “zalfde” hem. Dit maakt het overduidelijk dat het gebruik van Theos hier in Hebreeën niet verwijst naar Christus als de hoogste God, maar eerder naar een man met groot gezag onder een andere God.

Dr. Mayer merkt op: “Hier wordt de zoon van God aangemerkt met de titel God, maar uit de context blijkt dat het een officiële titel is, die hem aanwijst als een koning: hij heeft een koninkrijk, een troon en een scepter, en in vers 9 wordt hij vergeleken met andere koningen, die zijn deelgenoten worden genoemd, maar God kan geen deelgenoten hebben. Als zijnde de Zoon, wordt hij daarom gerekend tot de koningen der aarde, en zijn superioriteit over hen bestaat hierin, dat hij boven hen gezalfd is met de olie der vreugde, omdat hun troon tijdelijk is, maar zijner eeuwigdurend. ” [2] 

4. Het vers uit Hebreeën is een citaat uit Psalm 45:7-8. Joodse Schriftgeleerden lezen dit vers al eeuwen, en, bekend met de flexibiliteit van het woord “God”, kwamen zij nooit tot de conclusie dat de Messias op een of andere manier deel zou uitmaken van een drie-enige God.

Yeshua de Messias is de belichaming van de Torah