E-boek: Wie is Jesjoea?

a-buzzardProf. Buzzard schreef een prachtig e-boekje over een van de kernwaarheden van ons allerheiligst geloof: de Enigheid van God. Hij doet dit vanuit het Hebreeuwse denken. 

Op deze pagina staan alleen de eerste hoofdstukken van ‘Wie is Jezus?

206_01_0016_TopicalBkg Torah

Wie is Jezus? (Eerste Hoofdstukken)

“Want er is een God en ook een middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus” (1 Tim. 2:5).

Door:
Anthony F. Buzzard, MA (Oxon.), MA Th.

Restoration Fellowship
Met toestemming vertaald door Chr. Levi Zoutendijk
Correcties verzorgd door Joachim Kruyswijk

De suggestie dat Jezus volgens de Bijbel niet “waarachtig God uit waarachtig God” is, zal voor hen die met de breed gedragen zienswijzen binnen de grote denominaties bekend zijn, waarschijnlijk verrassend zijn. Het is niet algemeen bekend dat door de eeuwen heen veel Bijbelstudenten, inclusief een aanzienlijk aantal geleerden van deze tijd, niet concludeerden dat de Schrift Jezus omschrijft als “God” met een hoofdletter “G”.

De suggestie dat Jezus volgens de Bijbel niet “waarachtig God uit waarachtig God” is, zal voor hen die met de breed gedragen zienswijzen binnen de grote denominaties bekend zijn, waarschijnlijk verrassend zijn. Het is niet algemeen bekend dat door de eeuwen heen veel Bijbelstudenten, inclusief een aanzienlijk aantal geleerden van deze tijd, niet concludeerden dat de Schrift Jezus omschrijft als “God” met een hoofdletter “G”.

Een verschil van inzicht over zo’n fundamentele kwestie zou ons allen moeten uitdagen om deze belangrijke vraag over Jezus’ identiteit te onderzoeken. Als onze aanbidding, zoals de Bijbel leert, in ‘geest en in waarheid’ moet zijn (Joh. 4:24), dan is het duidelijk dat we zullen moeten begrijpen wat de Bijbel openbaart over Jezus en zijn relatie tot zijn Vader. De Bijbel waarschuwt ons dat het mogelijk is om in de val te lopen van het geloven in “een andere Jezus” (2 Kor. 11:4) – een andere “Jezus” dan die in de Bijbel geopenbaard wordt als Gods Zoon, de Messias die beloofd werd door de profeten uit het Oude Testament.

Een opvallend feit is dat Jezus zichzelf nooit “God” genoemd heeft. Even opmerkelijk is het nieuwtestamentisch gebruik van het woord “God” – in het Grieks ho theos -, dat wel 1.325 keer naar de Vader alléén verwijst. In tegenstelling hiertoe wordt Jezus slechts in een handvol teksten “god” genoemd, wellicht niet meer dan twee[i]. Hoe verklaart men dit indrukwekkende verschil in het nieuwtestamentisch gebruik van “god”, als zo velen lijken te geloven dat Jezus niet minder “God” is dan zijn vader?

Oudtestamentisch Monotheïsme  bevestigd door Jezus en Paulus

Mensen die de Bijbel in deze tijd lezen, erkennen en waarderen misschien de kracht van het monotheïsme – geloof in één God – niet gauw, terwijl het toch het eerste beginsel van alle oudtestamentische leer over God was. De Joden waren bereid te sterven voor hun overtuiging dat de ware God een enkelvoudig Persoon was. Elke notie van een pluraliteit (meervoudigheid) in de Godheid werd afgewezen als gevaarlijke afgoderij. De Wet (Tora) en de Profeten hadden herhaaldelijk met alle nadruk verklaard dat er slechts één werkelijk God was, en niemand had zich “onderscheidingen” in de Godheid kunnen voorstellen, nadat hij teksten als de volgende uit het hoofd geleerd had:

“Hoor, Israël: JHWH is onze God; JHWH is één!” (Deut. 6:4)
“Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom zijn wij dan trouweloos tegenover elkander en ontheiligen het verbond onzer vaderen?” (Mal. 2:10)
“Gij zijt, luidt het woord van JHWH, mijn getuigen, en mijn knecht, die Ik verkoren heb, opdat gij het weet en in Mij gelooft en inziet, dat Ik dezelfde ben; vóór Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn.” (Jes. 43:10)
“Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle eindender aarde, want Ik ben God en niemand meer.” (Jes. 45:22)
“Denkt aan hetgeen vroeger, vanouds, gebeurde; Ik immers ben God, en er is geen ander, God, en niemand is Mij gelijk.” (Jes. 46:9)

Voorbeelden van strikt monotheïstische uitspraken kunnen veelvoudig gevonden worden in het Oude Testament. Van groot belang hierbij is dat Jezus, als grondlegger van het christendom, de oudtestamentische vasthoudendheid dat God één is, bevestigde. Volgens de verslagen van zijn leer die samengesteld zijn door Matteüs, Marcus en Lucas, zei Jezus helemaal niets dat het geloof in de absolute eenheid van God verstoorde. Toen een Schriftgeleerde (een theoloog), de beroemde woorden citeerde: “Hoor, Israël, JHWH, onze God, JHWH is een”, prees Jezus hem omdat hij ‘naar waarheid’ en ‘verstandig’ gesproken had en “niet ver was van het koninkrijk van God” (Marc. 12:28-34).

In Johannes’ verslag van Jezus bevestigt Jezus eveneens het onvoorwaardelijke monotheïsme van zijn joodse erfgoed in niet mis te verstane bewoordingen. Hij sprak van God, zijn Vader, als “de enige God” (Joh. 5:44) en “de enige waarachtige God” (Joh. 17:3). Bij al de opgetekende uitspraken van Jezus, verwees hij bij het ​​woord “God” alleen naar de Vader. Niet éénmaal heeft hij ooit gezegd dat hij God was, een notie die zowel absurd als godslasterlijk zou hebben geklonken.

Jezus’ unitair monotheïstische uitdrukkingen in Johannes 5:44 en 17:3 zijn weerklanken van de oudtestamentische kijk op God als een uniek Persoon. We kunnen eenvoudig de joodse en oudtestamentische leer van Paulus waarnemen, die sprak van zijn christelijk geloof in “één God, de Vader” (1 Kor. 8:6) en de ‘ene God’, die hij onderscheidt van de “éne middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus” (1 Tim. 2:5). Voor zowel Jezus als Paulus was God een ongeschapen Wezen, “de God en Vader van onze Here Jezus Christus” (Efz. 1:3). Zelfs nadat Jezus verheven werd tot de rechterhand van de Vader, blijft de Vader, in Jezus’ eigen woorden, nog steeds zijn God (Opb. 3:12).

We kunnen onze bespreking tot nu toe samenvatten met een citaat van L.L. Paine, vroegere professor in de Kerkelijke geschiedenis aan het Bangor Theological Seminary:

“Het Oude Testament is strikt monotheïstisch. God is een enkelvoudig persoonlijk wezen. Het idee dat daarin een Drie-eenheid gevonden kan worden, of ook maar een voorafschaduwing hiervan, is een veronderstelling die lange tijd de theologie in haar greep heeft gehouden, maar die volstrekt ongegrond is. De Joden werden als volk door de hun gegeven leer strikte tegenstanders van alles wat naar polytheïsme neigde en ze zijn onverschrokken monotheïsten gebleven, tot op de huidige dag. Op dit punt bestaat er geen breuk tussen het Oude en het Nieuwe Testament. De monotheïstische traditie wordt voortgezet. Jezus was een Jood, die door Joodse ouders geoefend was in het Oude Testament. Zijn leer was joods tot in de kern; een nieuw Evangelie inderdaad, maar niet een nieuwe theologie. Hij verklaarde dat Hij niet ‘gekomen was om de Wet en de profeten te ontbinden, maar om deze te vervullen’, en hij aanvaardde als zijn eigen geloof het grote credo van het joods monotheïsme: ‘Hoor, Israël, JHWH is onze God, JHWH is één.’” Zijn getuigenis van zichzelf was in lijn met de oudtestamentische profetie. Hij was de ‘Messias’ van het beloofde Koninkrijk, de ‘Zoon des Mensen’ van de joodse hoop… Toen hij eens vroeg: ‘Wie zeggen de mensen, dat de Zoon des mensen is’, gaf hij geen antwoord dat boven de impliciete bewering van zijn Messiasschap uitging” (A Critical History of the Evolution of Trinitarianism, 1900, pp. 4, 5).

De sterke joodse gevoelens over monotheïsme worden goed geïllustreerd door de volgende citaten:

“Het geloof dat God bestaat uit verschillende persoonlijkheden, zoals het christelijke geloof in de Drie-eenheid, is een afwijking van de zuivere opvatting van de eenheid van God. Israël heeft door de eeuwen heen alles wat het begrip van het zuivere monotheïsme ontsierde of verduisterde afgewezen. Israël heeft de hele wereld het monotheïsme gegeven, en in plaats van enige verzwakking ervan toe te laten, zijn joden bereid om te zwerven, te lijden, te sterven” (Rabbi J.H. Hertz).

Ezra D. Gifford zegt in The True God, the True Christ, and the True Holy Spirit: “De Joden zelf zijn oprecht verontwaardigd over de suggestie dat hun Geschriften enig bewijs of aanduiding van de leer van de orthodoxe Drie-eenheid zouden bevatten, en Jezus en de Joden verschilden nooit van mening over dit onderwerp; zij hielden er wederzijds aan vast dat God één is en dat dit de grootste waarheid is die geopenbaard is aan de mens.

Als we de overgedragen leer van Jezus bestuderen in Matteüs, Marcus en Lucas, zullen we geen enkele aanwijzing vinden dat Jezus zelf veronderstelde een ​​ongeschapen wezen te zijn dat van eeuwigheid af bestond. Daarbij dienen we te beseffen dat deze documenten het begrip van de Apostolische gemeente in de jaren ’60-’80 na Christus vertegenwoordigen. Matteüs en Lucas stellen de herkomst van Jezus vast: een speciale scheppingsdaad van God deed Maria haar zoon Jezus ontvangen in haar schoot. Het was deze wonderbaarlijke gebeurtenis die het begin – het ontstaan, ​​of de oorsprong – van Jezus van Nazareth markeerde (Mat. 1:18, 20). Er wordt helemaal niets gezegd over een “eeuwig Zoonschap”[ii] dat zou impliceren dat Jezus al leefde als Zoon voor zijn conceptie (bevruchting). Dat idee werd in christelijke kringen geïntroduceerd nadat de nieuwtestamentische documenten waren voltooid. Het behoort niet tot de gedachtenwereld van de Bijbelse schrijvers.

Opmerking: Uriël ben-Mordechai heeft over Jesaja 9 een andere (betere) uitleg, namelijk dat God in dit vers eigenschappen van zichzelf uitroept (vgl. Ex. 34) en dat alleen ‘Vredevorst’ op Jesjoea slaat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.