De leugen van de ‘Messiaanse Rabbi’

Lion Erwteman (Beth Yeshua) heeft een tijd geleden zijn titel ‘rabbi’ terecht laten vallen. In de Messiaanse beweging wordt de titel helaas nog weleens gebruikt, zeker in Amerika.

Jesjoea zei dat alléén híj Rabbi genoemd mag worden… Tijd voor een artikel over de tegenstrijdigheid van de titel ‘Messiaanse rabbi’.
(De naam van de eerder in het einde van het artikel genoemde ‘rabbijn’ heb ik verwijderd, om de persoon niet te schaden – mijn excuses).

Gij zult u niet rabbi laten noemen; want één is uw Meester en gij zijt allen broeders.
En gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want één is uw Vader, Hij, die in de hemelen is.
Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, Messias.
Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden. Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn. (Mat. 23:8-12)

Een Messiaanse Rabbi?

In een e-mailgeprek met ‘gemeenteleider’ Lion Erwteman zei deze me enige jaren geleden dat hij zich (indertijd) rabbi noemde, omdat wij ook mensen ‘vader’ of ‘leider/leidsman’ noemen (naar het vers hierboven, Mat. 23:8-12).

Deze redenering gaat echter mank, want het Hebreeuwse concept voor ‘vader’ en ‘leidsman’ waar Jesjoea hiernaar verwijst, gaat veel verder. Volgens het Joodse denken is een vader iemand die een eigen beweging start en een leidsman iemand die mensen met definitieve autoriteit in een zaak kan leiden, zoals rabbi’s dat in geloofszaken meenden te kunnen.

Geen Messiaanse gelovige zou toch durven te beweren ‘vader’ of ‘leidsman’ van de Messiaanse beweging te zijn! De eerste oudsten werden enkel ‘steunpilaren’ genoemd (Gal. 2:9)… Messiaanse gelovigen pretenderen niet het initiatief of de autoriteit te hebben in (geloofs)zaken, omdat wij zonder de zoon en de Vader niets kunnen.

Het is daarom onmogelijk – een ‘leugen’ – om je ‘Messiaanse rabbi’ te noemen, omdat deze titel verwijst naar een persoon die sluitend gezag heeft in geloofszaken. Volgelingen van Messias zijn door God zelf geleerd (Joh. 6:45) en hebben geen Rabbi nodig anders dan Jesjoea.

Jesjoea verbiedt in deze verzen gelovigen uitdrukkelijk om zich rabbi te noemen. Ons is de taak gegeven onze Rabbi Jesjoea en zijn Vader nauwgezet te dienen, waarmee het gebruik van deze term eenvoudigweg ‘uit den boze’ is.

Ontmoet Rabbi Jesjoea!

Wanneer heeft u voor het laatst een gebed gehoord waarin over ‘Rabbi Jesjoea’ werd gesproken? De term rabbi heeft bij velen van ons een verkeerde connotatie gekregen, hoewel dit niet Messias’ wens zal zijn geweest, omdat hij terecht Meester genoemd wordt.

In de volgende verzen lezen we dat rabbi hetzelfde is als meester:

“Maar Jezus keerde Zich om en zag, dat zij Hem volgden, en Hij zeide tot hen Wat zoekt gij? Zij zeiden tot Hem: Rabbi (wat, vertaald, wil zeggen: Meester), waar houdt Gij verblijf?” (Joh. 1:38)

“Jezus zeide tot haar: Maria! Zij keerde zich om en zeide tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni, dat wil zeggen: Meester!” (Joh. 20:16)

Door het woord ‘rabbi’ niet consequent te vertalen met ‘Rabbijn’, brengen veel Bijbels deze titel niet goed aan de lezer over. Wanneer wij leren om Jesjoea als Rabbi te zien, en dat alleen hem deze titel toekomt, maken wij minder snel de vergissing anderen, of onszelf, zo te noemen.

Wanneer wij in gesprek zijn met Joden die deze titel dragen, ligt de zaak misschien iets gecompliceerder, een onderwerp waar ik hier verder niet over zal uitweiden.

Oorsprong van de term Rabbi

De term ‘rabbi’ werd pas ingesteld in de tijd van het Sanhedrin en deze ‘meesters’ wilden binnen de verschillende Farizese scholen vele leerlingen maken (Mat. 23:15). Hoe gebruikte de Joden deze titel in Jesjoea’s tijd?

D. Stern (JNTC) schrijft hierover:
“Het woord ‘discipel’ (talmidim) brengt de rijkheid van de relatie tussen een rabbi en zijn leerlingen in de eerste eeuw van de gangbare jaartelling niet over.
Zowel rondtrekkende als gevestigde leraren trokken volgelingen aan, die henzelf met hun hele hart aan hun leraren overgaven (…). De essentie van de relatie was er een van vertrouwen [bij lering] op elk gebied van het leven en het doel was om de leerling gelijk te maken in kennis, wijsheid en ethisch gedrag.”

In die tijd was het dus een eretitel onder Joden voor hun wetgeleerden en onderscheiden leraren, die leerlingen onder zich stelde om hen op te leiden in het geloof. De leerling waren geenszins gelijk aan de meester, maar de beste leerling zou de meester ter zijner tijd kunnen vervangen.

Laten we kijken naar de grondtekst.

  • Bekijk hier de vermelding van het Aramese woord ‘Rabbi’ (Strong-nummer G4461).
  • Bekijk ook de originele Hebreeuwse wortel voor het Aramese woord: Strong-nummer H7227 – Rav.

De Aramese term ‘rabbi’ duidt dus op de meerdere tussen twee mensen.

Nu, Jesjoea is inderdaad onze Meester, onze meerdere.
Onderling zijn wij echter ‘allen broeders’ (Mat. 23:8), niemand in het lichaam is meer dan de ander.
Jesjoea erkende God, de Vader, op zijn beurt als zijn meerdere (Joh. 14:28).
Maar wij zullen broeders, hoe geleerd ook, alleen als gelijken kunnen erkennen; de reden waarom de titel ‘rabbi’ simpelweg ongepast is.

Het is wel zo dat het woord ‘rabbi’ in onze dagen een andere betekenis heeft gekregen, want de rabbi van nu is niet meer de rabbi waar Sjaoel nog bij ‘aan de voeten’ zat (Hand. 22:3). Hier kom ik straks op terug.

Jesjoea, onze enige rabbi

In de gemeente van Jesjoea zijn het onder andere voorgangers en oudsten die ‘waken over onze zielen’ en wiens (getoetst) advies wij moeten volgen.
Deze relatie gaat echter niet zover als die van de gelovige discipel en zijn Meester (Rabbi) Jesjoea!!

De titel van rabbi wordt door Messias Jesjoea toegeëigend voor zichzelf alleen, toen hij zei:

“Gij zult u niet rabbi laten noemen; want een is uw Meester en gij zijt allen broeders”(Mat. 23:8)

“Gij noemt Mij Meester en Here, en gij zegt dat terecht, want Ik ben het. Indien nu Ik, uw Here en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen” (Johannes 13:13-14)

Volgelingen van Jesjoea zouden gehoorzaam moeten zijn aan dit nadrukkelijke woord van onze Meester en Zaligmaker Jesjoea, om alleen Hém Meester te noemen.

Jesjoea trekt dit gebod ook door, wanneer hij leert:
“een discipel staat niet boven zijn meester, maar al wie volleerd is, zal zijn als zijn meester” (Lukas 6:40)

We zien overigens dat de term na Jesjoea’s opstanding inderdaad niet gebruikt wordt binnen de Messiaanse Beweging. Ook apostels, profeten, evangelisten, herders of leraren, dachten er niet aan zich rabbi te noemen.

Orthodox Jodendom en hun ‘rabbi’s’

Een rabbi in onze tijd heeft weliswaar een meer begeleidende rol dan vroeger; hij wil je in geloofszaken de weg wijzen. Toch is deze (orthodoxe) rabbi verbonden en gebonden aan de overleveringen van de vaderen, die zij hoger achten dan het Woord van God.
In feite menen zij nog steeds de autoriteit te hebben over het kleinste aspect van het leven van de gelovige. Daarom heeft de term rabbi in feite niet aan kracht ingeboet.

En al zou de een hedendaagse ‘rabbi’ alleen een begeleider zijn, dan nog blijft het nadrukkelijke verbod van Jesjoea om je rabbi te noemen van kracht. Het woord zelf betekent zoals gezegd ‘meerdere’, wat ongepast is binnen het lichaam.

Wanneer deze titel niet enkel voor Jesjoea wordt gebruikt, blijft zij verbonden met de eigendunkelijke godsdienst, waar onze Messias en Rabbi Jesjoea zo tegen was.

Bovendien brengt het gebruik van de titel ‘Rabbi’ een bepaalde lading met zich mee, dat maar al te makkelijk ultra-semitisme in de hand werkt, wat mensen van de loutere toewijding tot Messias kan aftrekken.

Ch. Salomon Duytsch, waarover ik eerder schreef, zei na zijn bekering tot Messias:
“Mijn lieve broeder! vooreerst moet ik u bidden, mij niet met de titel van Rabbijn te vereren, dit komt mij niet meer toe: ik moet en wil gaarne een leerling worden”.

Bevoegdheid tot Bediening

Zogenaamde ‘Messiaanse Rabbijnen’ spreken ervan een smicha, een rabbinale bevoegdheid te hebben ontvangen van een andere ‘Messiaanse Rabbijn’. Men meent hierdoor een ‘erkend’ leraar te kunnen worden, maar dit is niet hoe bedieningen in het lichaam van Messias worden uitgedeeld…

Voor de oplegging van handen is immers zelfs een speciale, Bijbelse leer (Hebr. 6:2). Daarbij is het de Geest van God die mensen aanstelt en bedieningen geeft, wat niet door de hand van mensen kan gebeuren. Wanneer een man herkend wordt voor de gaven die hij kreeg, kan hij daarna de handen opgelegd krijgen, zoals bij Timotëus gebeurde na een profetenwoord (1Tim. 4:14).

Een vrouwelijke Messiaanse rabbijn?

De bevoegdheid tot een bediening in een Messiaanse gemeente, waarbij gezag komt kijken, kan overigens alleen aan mannen worden gegeven. Deze leer wordt haast in alle denominaties beleden.

Een vrouw is welkom publiekelijk te bidden en profeteren (met bedekt hoofd), maar de bedieningen kan zij niet vervullen, omdat dit in strijd is met de scheppingsorde die door God is ingesteld. Hierover staat in niet mis te verstane woorden geschreven:

“…maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden.  Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva” (1 Tim. 2:12-13)

In toekomstige artikelen wil ik hier nog verder op in gaan.

Wanneer een ‘rabbijn’ ook nog een vrouw is die met gezag in Messiaanse gemeentes meent te kunnen leren, wordt er een dubbele misstap begaan.

Overigens meen ik wel dat vrouwen de Bijbel kunnen bespreken bij lezingen, zoals bijvoorbeeld Corrie ten Boom dat deed, in alle nederigheid, zolang zij maar niet de titel leraar (of rabbi) voeren om zodoende gezag uit te oefenen in gemeentes.

Slot

Eindopmerking: Ondanks Sjaoel’s hoop dat wij allen één geloof zouden hebben, zullen de artikelen die ik schrijf onoverkomelijker niet altijd overeenkomen met de overtuigingen van mijn (naaste) broeders.

7 gedachten over “De leugen van de ‘Messiaanse Rabbi’”

  1. Shalom Levi,

    ik ben het helemaal eens met je bovenstaande artikel! Ik heb daar verder niets aan toe te voegen, want je hebt precies onder woorden gebracht, hoe ik er zelf ook over denk. Een broeder, die door Ruach haQodesh de bediening van leraar heeft gekregen, mag derhalve niet ‘rabbi’ genoemd worden, maar ‘moree’. Daarom is het m.i. ook onjuist om in messiaanse publicaties de term ‘rav Sha’ul’ te gebruiken, als men het over Paulus heeft. Ik gebruik in mijn studies voor hem daarom liever de Hebreeuwse benaming ‘Sha’ul haShaliach’.

    Groetjes,
    Werner

  2. Baäl Betekenis: eigenaar, meester, heer, echtgenoot
    dominee – dominus (latijn) meester, heer, heerser

    met andere woorden, ieder ander die zich heer of meester laat noemen is een baäl.
    ook op school, daar worden onze kinderen in een andere leer onderwezen, dominees worden vaak letterlijk aanbeden.

  3. En gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want één is uw Vader, Hij, die in de hemelen is. …Gij noemt Mij Meester en Here, en gij zegt dat terecht, want Ik ben het.
    Mag ik mijn eigen aardse papa nog wel ‘vader noemen’ en een vreemde met ‘meneer'( = mijn heer) aanspreken? En mijn leerlingen zeggen op school ‘meester’ tegen mij. Allemaal fout? Wauw, wat een zondaar ben ik dan zeg! Goed dat er genade is!
    Kijk, een R-K. priester ‘vader’ en een prot. voorganger ‘dominee (dominus=heer)’noemen vind ik, in beide gevallen, óók helaas niet zo correct. Ik heb nl. twee vaders; de Hemelse YHWH en mijn aardse. En God is mijn ‘Adonai’! De tijd dat édelen’ noodgedwongen met ‘[ Mijn Heer / mijn heer’ werden aangesproken, ligt gelukkig óók al ver achter ons.
    Maar bijv. … ‘meneer’ is van zijn oude ‘lading’ ontdaan. Net zo goed als onze week- en maanddagen en vele voor- en achternamen + plaatsnamen van hun oude lading ontdaan zijn.
    Er zijn m.i. dus nogal wat woorden die, door de eeuwen heen, een andere lading, dus betekenis, hebben gekregen.
    Onze Bijbelse God is, wat mij betreft, veel te groot, om zich met dit soort zaken bezig te houden. Voor wat betreft ‘rabbi/Rabbi’ heb je mij echter aan het denken gezet; al sluit ik niet uit dat a). Yeshua dit in de ‘tijdscontext’ bedoeld heeft en b). hij het typische ‘zwart vs. wit’ gebruik wilde bezigen Iindien gij uw ouders niet haat, kunt gij mijn volgelingen niet zijn, enz.)

    1. Sjalom André, bedankt voor je reactie.
      Ik noemde al dat we onze vaders wel vaders konden noemen, maar dat wijst juist uit dat Jesjoea het hier niet over gewone vaders of gewone (school)meesters gehad kan hebben.
      Dat priesters zich ‘vader’ en voorgangers ‘dominee’ noemen is inderdaad niet goed.
      Maar dan noem je nog het argument dat termen over de tijd veranderen. Wat betreft term ‘rabbi’; deze volgens mij bij de meeste broeders nog de bijklank van iemand die met autoriteit over geloofszaken wilt spreken. En dat was hij vroeger en nu in essentie. Maar hoe we rabbi ook zien, volgens mij zei Jesjoea niet voor niets dat hij alleen onze rabbi is. Dat zie ik niet als een stijlfiguur (dingen zwart-wit brengen).
      Sjaoel zal zijn oude titel als schade hebben geacht, meen ik. In elk geval is het veelbetekenend dat hij deze oude titel niet meer gebruikt, maar hij noemt zich nu de ‘geringste der apostelen’ (1Kor. 15:9).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.