D. van Genderen: Een gebed voor Nederland

O, Here God, scheur de hemel en daal neer in ons midden. Zend Uw Geest van genade en gebeden tot ons. De crisis is groot. Onze leiders weten het niet meer. Ook wij niet. We buigen ons voor U neer in verootmoediging en belijden onze zonden en de zonden van ons land en ons volk.

Here, wees ons genadig, ontfermt U Zich over ons.
Wij hebben Uw zegen niet verdiend, Here. Beschaamd buigen we ons hoofd. We wijzen niet naar hen die in onze ogen de grootste zondaars zijn; naar degenen die Uw geboden met hun voeten treden; naar degenen die U bespotten; naar degenen die Israël veroordelen; naar degenen die zich schamen voor U.

Er gebeurt zoveel dat het daglicht niet kan verdragen. Ook in kerken, in gemeenten. Ook onder christenen. Ook wij knielen te vaak voor de afgoden van deze tijd. In vele kerken en gemeenten waar eens Uw Woord klonk, zwijgt Uw stem.

Het zijn ook onze zonden. Wij maken deel uit van ons volk. Wij zijn tekort geschoten in onze gebeden, in bewogenheid, in liefde. Onze onderlinge verdeeldheid heeft Uw getuigenis schade aangedaan. O Here, ontfermt U Zich over ons, wees ons genadig.’

Nu ons land in grote nood is, de verdeeldheid in de politiek groot is, nu heffen we onze ogen op tot U in de hemel. Velen lijden onder de crisis: de zwakken, de armen, de hulpbehoevenden. We buigen ons voor U neer. We voelen ons verbonden met ons volk in bewogenheid. Wij voelen de pijn, wij lijden mee. We buigen ons hoofd en knielen voor U neer.

Het leven dat U geeft, hebben we in eigen hand genomen. Velen verkiezen de dood boven het leven. De seks boven de liefde. Materialisme boven Uw Koninkrijk. Eigen eer boven Uw eer.

We houden geen rekening meer met U. We proberen U soms nog wel te dienen, maar vaak is het niet meer dan schone schijn. Wel aardig aan de buitenkant, maar U ziet ons hart aan.

Het is genade van U, Vader in de hemel, dat U ons land nog niet aan de verwoesting hebt overgegeven. Nog houdt U Uw gemeente in stand. Nog mag Uw Evangelie worden verkondigd. Nog mogen we genieten van de gaven die U schenkt.

Wij roepen tot U. Genees ons, genees ons land, genees ons volk. Door Uw striemen is ons genezing geworden. We bidden niet allereerst om een economisch herstel, om welvaart, maar om een geestelijk herstel. Dat is ons verlangen. Dat ons volk terug zal keren tot U.

Here Jezus, we gaan voor U op de knieën. Zelf weten we het niet meer. We zien ons land wegzinken in het moeras van de crisis.

Schenk ons Uw moed, Uw kracht, om niet langer aan de zijlijn te blijven staan. We roepen zo gemakkelijk ‘ach’ en ‘wee’ over alle (negatieve) ontwikkelingen in ons land. We zijn vaak zo negatief. We verliezen U zo vaak uit het oog. Uw wederkomst is aanstaande en we maken ons vaak zo druk over zaken, die absoluut geen waarde hebben voor de eeuwigheid.

Here, vergeef ons onze apathie. Vergeef ons ons ongeloof. Wijs ons de weg die we nu hebben te gaan. Door Uw Woord en door Uw Geest. We heffen onze hoofden en onze harten op naar U in de hemel. In het diepe besef dat U alleen ons kunt redden. Onze verwachting is van U alleen.

O Here, hoor. O Here, vergeef. O Here, treed handelend op. Zie in ontferming op ons terneer. Doe Uw aangezicht weer over ons lichten. Schenk een herleving, een terugkeer tot U. Opdat Uw grote Naam alle eer, lof en aanbidding zal ontvangen, tot in eeuwigheid. Geprezen zij Uw Naam. Amen.’