Bijbels denken vs. de religieus-Nederlandse cultuur

Auteur: Chr. Levi Zoutendijk

Onze cultuur kan ook een gevaar zijn voor ons geloofsleven.
Enige voorbeelden van Bijbels denken (aanvullende waarschuwingen zijn welkom!).

Bijbels Denken (A) of De Rel.-Ndl. cultuur (B)

  1. A. Ik ben georiënteerd op de op mijzelf én de geloofsgemeenschap: Wij zijn allen gerechtvaardigd en we werken in heiligheid onze redding uit, wat vast lukken gaat.
    B. De gelovige moet op zichzelf gericht zijn. Uiteindelijk sta je er alleen voor. Niemand mag mijn zielenheil in gevaar brengen.
  1. Ik heilig het leven door onderscheid te maken in de verschillende dingen van het leven.
    De gelovige leeft altijd voor God en alle pogingen om iets extra te doen voor God te doen zijn in wezen schijnheilig.   
  1. Ik ben een ander in eerbetoon te voorbeeld. Hij kan dan God danken voor wat Hij hem deed doen.
    Je spant een net voor mensen als je eer geeft, maar een klein complimentje op zijn tijd is okee.
  1. Ik deel mijn innerlijke geloofsbeleving in de gemeente, want ik  houd van God met mijn hele ziel.
    De gelovige moet zijn gevoelens vooral in de binnenkamer houden; deze toon je niet in het openbaar, anders doe je je overdreven gelovig voor. God weet wat ik denk.
  1. We kunnen het best leren door samen over alle punten te praten.
    De gelovige vormt zijn mening over geloofsstellingen vooral bij vrienden of privé. Ik leer niet graag in een groep.

110_04_0356_BiblePaintings

  1.  Ik hef mijn hoofd omhoog, want ik heers over de zonde. Wel onderzoek ik mijzelf en God openbaart zonden, maar in dit alles wandel ik met God. Ik verwacht van anderen het goede, dat zij dit ook doen.
    De gelovige heeft een slechte natuur, daarom kan ik als gelovige nooit echt vrolijk zijn en ga ik terneergeslagen door het leven. Anderen leven ook nooit echt goed en ik kijk op ze neer.
  1. Ik zondig niet opzettelijk. Ik beef voor de woorden van God, ik wil Messias niet ‘opnieuw kruisigen’.
    De gelovige zondigt vaak bewust, maar dat ziet God vast wel door de vingers. Daarvoor is Jezus gestorven.
  1. Ik en anderen kunnen en moeten elkaar leren. Door de Geest heeft iedereen de Heer leren kennen.
    Leren? De gelovige moet uit een preek halen wat hij eraan heeft, maar verder is leren niet aan mij besteed.
  1. Ik vermaan mijn broeders als het nodig is – altijd, uit liefde. Een zondaar moet je weer de goede weg op helpen.
    De gelovige hoeft alleen iemand die heel erg zondigt te vermanen, verder moet iedereen het zelf maar uitzoeken.
  1. Ik wil in principe elke broeder thuis uitnodigen, want God leert me van hen allen te houden.
    De gelovige hoeft alleen hen uit te nodigen waar hij mee kan opschieten, er zijn zoveel verkeerde mensen, ook in de kerk. 
  1. Alleen als uiterste consequentie moet iemand worden uitgestoten, ook in groepjes.
    Als iemand op belangrijke geloofspunten afwijkt, ga ik gewoon niet meer ermee om.  
  1. Ik laat mijn licht laten schijnen en gebruik mijn talenten goed voor God, zo verhoog ik Gods eer.
    De gelovige kan zich maar beter op de achtergrond houden; hij moet niet denken dat hij iemand is of die indruk wekken bij anderen. Ik hoef niet zo gelovig over te komen.
  1. Ik onderwerp mij aan de oudsten en probeer hen altijd bij te staan.
    Ik heb één leider waar ik mee kan opschieten, goed wat ze doen. Verder houd ik me erbuiten.
  1. Ik acht de ander hoger dan mijzelf, maar ik ga er niet zondermeer vanuit dat ik minder ben (of zij beter).
    De gelovige moet zich altijd de minste weten, maar vaak gedraagt de ander zich minder goed dan ik en dan ben ik toch beter.
  1. Ik kan volop van gedachten wisselen met gelovigen, vol passie, de gemeenschap leidt er niet onder.
    De gelovige moet discussie uit de weg gaan, dit lijdt zo snel tot ruzie! – als het maar gezellig blijft. 

110_04_0192_BiblePaintings

  1. Mijn God heeft alles in de hand, en de Satan heeft niks aan mij. Maar wat mij nog verder overkomt, keert God nog ten goede.
    De gelovige weet wel dat God een geduchte tegenstander in Satan heeft, die mij doet zondigen. 
  1. Ik heb de blijdschap van God en wandel in de vreze van God, vol dankzegging.
    De gelovige moet toch voortdurend lolletjes kunnen maken, niet altijd zo serieus met dat geloof! 
  1. Ik werk hard voor de Heer en ik vind mijn kracht in Hem, maar ik respecteer mijn eigen krachten/grenzen.
    De gelovige moet altijd werken voor de Heer, daaraan erken je de ware gelovige. Leve het overspannen Christen-syndroom!
  1. Mijn geloof is in de eerste plaats voor mannen, omdat zij de taak als priester moeten opnemen in hun gezin en de gemeente.
    Vrouwen hebben van nature meer met geloof en ik laat het dan ook maar vooral aan hen over. 
  1. Ik verlustig mij altijd in JHWH, mijn God, er is geen scheiding tussen geloof en de rest van mijn leven.
    Het geloof is erg belangrijk voor mij, maar ik moet ook mijn gewone leven kunnen leiden.
  1. Mijn kinderen leer ik dagelijks uit de Schrift van jongs af aan. Zo zullen ze God leren kennen.
    De gelovige moet de vrije wil van zijn kinderen respecteren en in de pubertijd komt het erop aan. 
  1. Ik stel grenzen, omdat God bepaalde dingen van mij heeft gevraagd door Zijn woord, en het goede voorheeft.
    De gelovige kent niet echt regels meer, wat je hart je ingeeft is goed. 
  1. Ik vergeef mensen als zij berouw hebben met mijn hele hart, maar ook als zij geen berouw tonen bid ik voor hen en laat ik het oordeel aan God over.
    Ik ben best bereid het te laten en iemand weer te groeten, maar ik vergeet het niet en ik blijf daarna op mijn hoede. 
  1. Ik zou nooit lasteren; ten onrechte kwaad over iemand spreken om zijn persoon te schaden.
    De gelovige moet voor God mensen soms waarschuwen voor hen die niet hetzelfde geloven en als ik dat een beetje aandik is dat voor de goede zaak. 
  1. Ik bewerk mijn behoudenis met vrezen en beven, maar toch roem ik op het oordeel. Wij zullen allen voor de rechterstoel van Christus verschijnen.
    De gelovige komt altijd zeker door het oordeel heen. Ik ben gered en ik laat me hier niet vanaf brengen. 
  1. Ik probeer met allen de vrede te bewaren en echte broederschap te ontwikkelen.
    De gelovige gaat om met wie hij het het best kan vinden en kan zich gewoon terugtrekken uit een groep als het hem niet bevalt, zonder iets te zeggen. 
  1. Na de dienst op de rustdag zoek ik broeders om de dag door te brengen in de Heer.
    De gelovige mag toch na de lange dienst weer snel naar huis. Daar kun je jezelf weer zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Yeshua de Messias is de belichaming van de Torah